"Draaggeest"
By: Ruud SchuringHij staart naar zijn handen, het zijn handen van iemand die nog nooit gewerkt heeft, onbeschadigd, bijna onecht als van plastik, geen oude littekens, ook niet van vroeger toen hij nog een kind was, van die kleine ongelukjes zoals verbrand aan de kachel, vinger tussen de deur, nee niets wees er op dat die handen van hem waren. Hij griezelt, en rilt van afkeer over zijn hele lijf. De tram staat stil en voor hij het beseft rijdt de tram alweer, ‘Dat wordt teruglopen’ denkt hij, hij kijkt schuin door het raam richting volgende tramhalte, wat hem doet denken aan mensen die op de tram staan te wachten en met een verongelijkt gezicht midden op de rails gaan staan kijken, om af te dwingen dat hij nu komt. Lisa komt vanmiddag thuis, hij moet op tijd daar zijn, maar is er ook bang voor, hoe moet hij het uitleggen? Hij stapt uit en onderweg koopt hij een fles Campari, de man van de drankwinkel herkent hem niet, hij wordt onzeker, ‘Zal Lisa wel geloven dat hij het is? ‘, Hoe kan hij haar overtuigen? , Misschien zal ze weg rennen voor zo’n gek, of de politie bellen. Hij loopt verder, in de etalageruit aan de overkant spiegelt zijn lange slanke gestalte, hij kijkt naar het spiegelbeeld van een vreemde, hij steekt over en ziet zichzelf steeds duidelijker in de ruit. Op een meter afstand blijft hij staan, en staart met open mond, voor het eerst naar zijn gezicht. Met een bonkende hoofdpijn stapt ze uit de overvolle lift en komt in de futuristische ontvangsthal. Overal bloemenstalletjes, boek en tijdschriftenwinkeltjes, koffie en snacks, hoog in een met veel glas en chroom versierde stellage enorme beeldschermen met reclame en plattegronden van het ziekenhuis. Het gonst er van het leven, dit in schril kontrast met sommige andere afdelingen van het ziekenhuis. Ze baant zich snel een weg door de hal, de draaideuren lijken kilometers ver weg. ‘Lisa!’ Hoort ze schreeuwen en ze draait zich om, daar komt haar broer aanrennen. ‘Mijn God, zag je me niet staan? , Ik stond als een gek te zwaaien! ‘Dag Hans’, en ze zoent hem. ‘Nee, ik zag helemaal niets meer. Ik heb een barstende pijn in mijn hoofd, ik haat dit soort plekken.’ Hans slaat zijn arm om haar schouders en wijst richting parkeerplaats, ze lopen zwijgend naar de auto en zijn voor de spits in Amsterdam op de van Eehgenlaan. ‘Zal ik nog even met je mee naar boven gaan?’ Vraagt haar broer. ‘Nee, ik zie je morgen wel in het ziekenhuis, een uur of drie?’ Haar broer knikt, slaat de portier dicht en rijdt met het achterlaten van ‘toe-toet...’ weg. Lisa steekt de sleutel in het slot, doet de deur open en loopt de trap op, ze ploft op de bank neer. De kamer is weer herkenning, een veilig thuisgevoel, de boeken, de schilderijen en foto’s op de muur, de zandkleurige vloerbedekking, en dezelfde kleur muur als in Portugal, waar ze de meeste tijd van het jaar woont. Het is prettig om in je eigen omgeving terug te komen. Ze hijst zich omhoog uit de zachte kussens en loopt met een bonkend hoofd naar de badkamer, ze kleedt zich uit, laat het bad vollopen en neemt twee Panadolletjes. Ze voelt met haar voet of het water niet te heet is en gaat op de badrand zitten, langzaam laat ze zich in het bad glijden. Het water beschermt haar als een warme deken, hier voelt het veilig, ze doet haar ogen dicht en door het zachte rood van haar gesloten oogleden lijkt het alsof ze zich ‘onbewust van de grote wereld’, in de baarmoeder bevindt. De etalageruit begint te golven de spiegeling van zijn gezicht wordt troebel. O, mijn God, er is werkelijk niets wat bekend voorkomt. Hij begint te zweten, deinst achteruit, het duizelt in zijn hoofd, de geluiden van de straat worden dof en door zijn tranen heen ziet hij hoe iemand de winkel uit komt en op hem af loopt. ‘Alles in orde? . . Meneer’ Een jongen van een jaar of 18 kijkt hem bezorgd aan. Hij wankelt, de jongen pakt hem bij zijn arm hem en helpt hem de winkel binnen. Het is een kapper, zo’n moderne met veel glas en chroom, ongemakkelijke mooi gestileerde stoelen, een computer waar alle modelletjes in opgeslagen zijn en twee meisjes die de hele dag vragen of je misschien iets wil drinken. Ze lopen naar het wachtgedeelte, een knus zithoekje met lectuur en een TV met een geluidloze MTV zender, in plaats het MTV geweld, een zacht piano muziekje op de achtergrond. Hij gaat zitten en bedankt de jongen. ‘Het gaat wel weer hoor, ik was even een beetje in de war, eh.. Bedankt.’ Een meisje met kort rood haar komt met een kannetje koffie aangelopen, zet het kannetje op tafel en zegt ‘Daar knapt u wel van op, melk en suiker staat er naast, gaat het weer een beetje?’ Hij knikt en schenkt zichzelf een kopje koffie in. Er spoken allerlei gedachten door zijn hoofd, waar ben ik in verzeild geraakt, ik moet mezelf onder controle houden, rustig blijven, niemand mag denken dat er iets met me is, ik moet normaal doen, anders gaat het fout. Hij drinkt snel zijn koffie op en maakt aanstalten om weer te gaan. ‘Het gaat wel weer, ik stap maar weer eens op’ Hij glimlacht knikt vriendelijk en probeert een zo normaal mogelijke indruk te maken. Hij staat buiten en kijkt om zich heen, met een snelle pas loopt hij naar de overkant en gaat bij de VSB bank de hoek om de van Eehgenlaan in. Zijn pas versnelt zich en plotseling blijft hij als vastgenageld staan, daar is ze! Hij ziet hoe Lisa uit de auto van haar broer stapt en naar de huisdeur loopt. Hij probeert zich in een portiek te verschuilen, tot hij beseft dat ze hem toch niet zal herkennen. Hij loopt door en kijkt schuin naar Lisa als ze naar binnen gaat. Hij kan onmogelijk zo met deze verschijning aanbellen en zeggen ‘Joehoe, ik ben het!’ En naar boven lopen als of er niets aan de hand is, dat valt niet uit te leggen. Nee, hij moet dat anders aanpakken, het moet voorzichtiger. Hij moet zich beter voorbereiden, peinzend loopt hij de straat uit, wie zal hem geloven? Hoogstens Pieter, met Pieter heeft hij de meest bizarre mogelijkheden besproken, alle wonderlijkheden van tijdreizen tot aan geestverschijningen, het paranormale is redelijk normaal in dit soort gesprekken, ja hij moet Pieter er in betrekken, ik moet naar Pieter gaan, alles vertellen, hem overtuigen en als hij me gelooft gaan we samen een plan bedenken om Lisa te overtuigen. De telefoon gaat en Lisa schrikt wakker. Het badwater is lauw geworden en ze stapt vermoeid uit de badkuip, druipend loopt ze de kamer in en drukt op de afstandsbediening, het scherm floept aan met een knipperend videofoon plaatje ze strijkt haar hand er over en daar is het hoofd van haar vriendin. ‘Wat zie jij er raar uit!’ Zegt het hoofd, Óh eh sorry, ja ik kom net uit bad, ik was in slaap gevallen’ Lisa trekt een zachte kamerjas aan schenkt een rood wijntje in en zegt ‘Zo Mary, ik ben weer aanspreekbaar, hoe is het?’ ‘Met mij prima, maar ik maak me meer zorgen om jou! ..., hoe was het vanmiddag?’ Lisa vertelt het verhaal en zegt zuchtend ‘maar ik ben nu uitgerust en mijn hoofdpijn is weg, gaan we wat doen vanavond? Ik heb geen eten in huis, dus misschien een restaurantje?’ ‘Mij best, ik zie je dan in Café' ‘de Tap’, dan zien we daar wel waar we gaan eten, uur of zes?’ Lisa knikt ‘Zes uur, ik zie je dan’ en ze knipt het beeld weg. Ze loopt naar de slaapkamer en zoekt iets leuks om aan te trekken, na een half uur ligt het bed vol met broeken vestjes jurkjes en truitjes. Ze staat met haar handen in de zij, schud haar hoofd en mompelt ‘Waarom heb ik toch nooit iets om aan te trekken?’ Zo als altijd heeft ze gewoon dat aan wat ze in eerste instantie uit de kast haalde, ze loopt naar de slaapkamer en droogt haar rode haardos, ze maakt zich op en kijkt tevreden naar het resultaat, ze mag er nog best zijn voor een vrouw van 40. Ze slaat de deur achter zich dicht en loopt de trap af ze raapt de krant op en steekt die onder haar arm, ze is vroeg en Mary is altijd te laat, dus die krant komt mooi van pas. De tram piept de hoek om en op een looppas kan Lisa hem nog net halen, hijgend neemt ze plaats. In de Leidsestraat stapt ze uit loopt de prinsengracht op richting ‘de Tap’, het is er leeg, ze gaat naar binnen en bestelt een rode wijn, de man achter de bar trekt een fles open en vraagt ‘Eh Lisa, hoe gaat het met Rolf?’ Lisa zwaait met haar hand weg van haar hoofd en zegt ‘Geen verandering’ ze loopt door het café, gaat zitten aan een tafeltje bij het raam en slaat de krant open. ‘Kabinet Rozenmuller staat voor moeilijke beslissing’ luidt de kop. Lisa slaat het politieke geouwehoer over en kijkt traditiegetrouw eerst bij de rouw advertenties, dit keer geen bekenden. Vervolgens pakt ze het reiskatern, dat heeft haar altijd geboeid, reizen naar onbekende streken, het liefst Azië. Ze begint te lezen en droomt tegelijkertijd weg en denkt aan de reizen die ze gemaakt heeft met Rolf en lang geleden met haar ex Remco. Er wordt op haar schouder getikt, ze schrikt op en wordt ruw uit haar droomwereld gerukt. ‘Mary!’ Roept ze verbaasd en kijkt op de caféklok, ‘je bent precies op tijd! , Ben je ziek? ,Alles goed met je?’ Ze schieten samen in de lach en bestellen twee rode wijn. Mary trekt haar jas uit en gooit haar blonde haar door de war, ze houdt er niet van als haar haar te netjes zit, dat geldt ook voor haar kleren, haar ronde vrolijke gezicht heeft rode wangen van de kou, het is een fietsster door weer en wind. Mary gaat zitten en kijkt Lisa schuin aan en vraagt ‘Als je het prettig vind ga ik morgen met je mee naar Rolf’ Lisa knikt ‘Ja, Mary dat vind ik inderdaad prettiger, maar morgen gaat Hans al met me mee, misschien heb je vrijdag tijd?’ Mary pakt haar jute tasje en vist de agenda eruit, ze bladert met een kleine frons de agenda door, ze knikt en zegt ‘prima vrijdag dat is over twee dagen, komt me goed uit, ik zet het er meteen even in, hoe laat bij jou?’ ‘Drie uur’ glimlacht Lisa, haar gezicht betrekt en ze zegt weet soms niet wat ik er mee aan moet, het duurt nu al twee weken, ze zeggen dat er nog een kans is dat hij uit coma raakt, maar wanneer dan? , Over drie maanden, een jaar? Vijf jaar? ,dat zou ik niet aankunnen, ik weet dat hij me hoort, dat voel ik gewoon, de apparatuur zegt dat zijn hersenen nog in orde zijn, alleen zijn geest is er niet, dat kunnen ze tegenwoordig beter beoordelen dan vroeger, dus ik moet geloof houden, dat het nog goed komt, maar het is zo moeilijk, wachten is niet mijn sterkste kant. Ik zou nooit de kraan laten dichtdraaien, hij heeft altijd gezegd, dat hij dat nooit zou willen, dus dan doe ik dat ook niet, maar stel je voor dat het nog jaren zo door gaat!’ Mary knikt en zegt: ‘Die kans is er ook ja, dat zou niet leuk zijn, maar het kan ook morgen voorbij zijn, dus geloof liever in morgen dan overmorgen, misschien is dat beter voor je?’ Lisa zegt grinnikend ‘Je lijkt wel een beetje op Rolf, altijd de positieve kant ook belichten.’ Ze staan op betalen de rode wijntjes en vertrekken naar de pizzeria. Hij slentert over de gracht op weg naar Pieter, het is zijn Amsterdam, de zon staat laag en de Westertoren is een bekend zwart silhouet, De geluiden van meeuwen bij de brug, een oude vrouw die de eendjes voert, hier en daar een fietser, geen auto’s op de gracht, die hadden ze eerder moeten afschaffen, de rust die er nu heerst heeft iets van vroeger, de rust die van oude schilderijen en etsen afstraalt. Hij loopt de Bloemgracht op en blijft staan voor een galerie, hij kijkt naar binnen en ziet daar Pieter staan praten met iemand, hij houdt zijn hand boven zijn ogen om beter naar binnen te kunnen kijken, Pieter in zijn zwart rib fluwelen pak dat zwarte lange vettige achterover gekamde haar en dat eeuwige brilletje wat hij altijd met zijn vinger hoger op zijn neus schuift. Hij loopt weer verder, om bij de hoek weer om te draaien en weer bij de galerie binnen te kijken. Blue Pyramid staat er in neonlicht op, Blue Pyramid zijn handelsmerk, zijn watermerk, zijn handtekening, oude tijden komen weer boven borrelen, de tijd van lange avonden gevuld met wijn en filosofische babbeltjes, sauna’s en café’ s, concerten en bioscoop, toen film nog echte cellulose was. Langspeelplaten van vinyl, veel sigaretten en weinig licht, oude opa stoelen en schemerlampen, Thomas zijn broer, die er ook altijd was, we waren altijd samen of met z’n drieën. Hij kijkt weer naar binnen, de man is weg en Pieter staat nadenkend voor een klein verlicht zeefdrukje. Met zweet in zijn handen pakt hij de deurklink en met tegenzin duwt hij de deur open, blijft in de deuropening staan en kijkt met een bonkend hart Pieter aan. Pieter draait zijn hoofd om en staart hem langdurig aan, even heeft hij het idee dat Pieter hem zal herkennen en een licht vreugde dansje wervelt door zijn maag. Pieter zei: ‘Goedemiddag, wat kan ik voor u doen?’ Het vreugdedansje in zijn maag sterft een plotselinge dood, natuurlijk kan Pieter hem niet herkennen, hij doet zijn mond open maar er komt geen geluid uit, hij slikt: ‘Dag Pieter’. Pieter fronst zijn wenkbrauwen: ‘Tja, dat is even pijnlijk, ik weet niet precies meer wie u bent, eh. . laat me even denken.’ Hij moet het gewoon maar zeggen en dan zien wat er gebeuren gaat, met een droge mond stamelt hij ‘Ik ben het, ....Rolf!’ Pieter kijkt de vreemde man een beetje verstoord aan: ‘wat zijn dit voor misselijk makende grappen, is dat ergens goed voor? Wie bent u?’ Rolf trilt van nervositeit: ‘luister, ik ben het echt, we moeten even praten, ik wil het uitleggen, ik bevind me in een situatie die alleen jij zal kunnen geloven, we hebben het vaak over vreemde dingen gehad, en jij bent de enige die. . ‘ Rolf wordt onderbroken. ‘Gaat u zitten, ik wil ten minste weten wat u drijft om uzelf uit te geven voor Rolf, u heeft zelfs niet eens de moeite gedaan om op hem te lijken, dus voor de draad er mee, hoe kent u Rolf en waarom doet u dit!’ Rolf gaat zitten en vraagt iets te drinken, Pieter kijkt hem aan: ‘ wat wil je drinken?’ Rolf kijkt voor het eerst weer wat ontspannen uit zijn ogen en zegt: ’ jou kennende, heb je vast wel een witte Rio Daõ koud staan’ Pieter kijkt verrast: ‘ heel goed van je, okay wijn zal het zijn’ hij loopt naar de ijskast en haalt een fles witte wijn tevoorschijn, geen Rio Daõ, maar een Muskadet. Pieter schenkt in en zegt: ‘ een Muskadet dit keer, de Daõ was uitverkocht, vertel je verhaal maar.’ Rolf schraapt zijn keel, neemt een slok en begint zijn verhaal: ‘ weet je nog dat ik 4 weken geleden op vakantie naar Tibet ging?’ Pieter knikt ‘okay, luister, toen ik daar was is er iets geks gebeurd met me, het was op een middag dat ik naar een vervallen klooster ging, het was door de Chinezen nooit beschadigd, en er wonen nog twaalf monniken in. Een oude monnik zag mij de berg opkomen en wuifde naar me, bij de poort aangekomen liet hij me binnen en gaf me wat yakthee, wat ik onmiddellijk weer uitspoog, hij moest er om lachen, de oude monnik sprak Engels dus dat was een verrassing. Ik ben toen het klooster gaan bekijken en kwam in een gedeelte waar veel wierook en een constant gerinkel van belletjes de ruimte vulde, ik voelde me hier erg op mijn gemak en ging zitten. Ik keek rond en was helemaal alleen met de belletjes en de wierook, op een tafel stond een met goud bewerkt kistje, het trok mijn aandacht, ik stond op liep er heen en bekeek het van alle kanten, ik probeerde de deksel open te maken, maar dat lukte niet. Het kistje was bijzonder, ik kon niet precies zeggen waarom, maar er was iets heel moois aan dat kistje, niet het goud en de edelsteen versieringen, nee, gewoon het kistje zelf. Ik zette het kistje weer neer en bleef er gebiologeerd naar kijken. Plotseling zag ik in de schittering van de edelstenen een soort aanwijzing om de deksel te kunnen openen. Ik zag dat je al je vingers op net zoveel edelstenen moest leggen, er ontstonden dan ingewikkelde geometrische lijnen, ik deed dat en het kistje opende zich, er waren een aantal driehoeken die in onmogelijke richtingen weg draaiden, ik kon naar binnen kijken en daar zag ik alles en niets. Het is niet uit te leggen, maar er binnen was als de oneindigheid, en ik werd er door opgeslorpt, ik had nog nooit zoiets moois gezien, er was licht van een soort dat je niet kunt beschrijven, er was snelheid, beweging, zeer extreem, maar naar alle kanten tegelijk, onder, boven, binnen en buiten waren tegelijk aanwezig, tijd was slechts een deel van een bouwsel wat bestond uit vele dimensies. Opeens was alles donker en ik hoorde de oude monnik iets zeggen in het Tibetaans, ik voelde hoe vier handen me optilden en me voorzichtig naar buiten droegen, ik voelde de zon op mijn gezicht maar zag hem niet, ik kon niet bewegen, ik kon niet praten, ik raakte in paniek. Wat was er gebeurd? Ben ik dood? Nee ik kon nog voelen en horen, hoe moest ik dat duidelijk maken? Pieter schenkt intussen de beide glazen weer vol, en zei: ’ hoe dan ook, het is wel een aardig verhaal voor een gewone doordeweekse woensdag’ Rolf stoort zich niet aan de opmerking en gaat verder: ‘uiteindelijk werd ik door de twee monniken naar het dorp gebracht, in het guesthouse heeft de eigenaar zich toen over mij ontfermd, hij heeft contact opgenomen met een ziekenhuis en die hebben voor snel vervoer naar Nederland gezorgd, daar ben ik in het AMC opgenomen en daar lig ik nu nog, of althans mijn lichaam ligt daar nu nog! Ik ben in dit lichaam, ik heb dit lichaam . . . geleend, zou je kunnen zeggen. Pieter schiet in de lach:’ ik zal voor jou straks ook voor snel vervoer zorgen, maar dan naar de RIAGG.’ Rolf zegt pissig: ‘probeer me alsjeblieft een beetje serieus te nemen, ook al is het maar heel even, geef me die kans.’ Hij vervolgt zijn verhaal ‘luister je? ... in die tijd dat ik in coma lag, heb ik steeds weer opnieuw die ervaring meegemaakt, als toen in dat klooster, ik voelde het meestal aankomen, alsof ik weer bij zou komen en weer zou kunnen bewegen, maar nee, het was een uittreding, ik bevind me dan in een soort droomwereld, ik kan er steeds meer vorm in aanbrengen, de chaos van de eerste keer heb ik nu redelijk onder controle, ik zie mensen dromen die op dat moment hun eigen werkelijkheid scheppen, ik zie wat ze dromen, ze kunnen mij ook zien, meestal schrikken ze van mij en belanden dan in hun eigen geschapen nachtmerrie. Op een keer merkte ik dat als ik in hun droom was er een soort energieband aan hen vast zat, ik kon zonder dat ik wist hoe ik dat deed in die energieband duiken en zo hun lichaam intreden en als ze wakker werden, kan ik door hun ogen in de normale wereld zien, meestal werd ik verdrongen door de enorme kracht van hun geest en schoot weer in mijn eigen onmachtige lichaam. Tot dat ik er achter kwam, dat bepaalde dromers heel zwak waren, ik kon na dat ze wakker werden hun geest terugdringen en ik kon hun lichaam overnemen, ik deed dat met een lichaam van iemand die in Frankrijk woont, ik kon er de hele dag mee rondlopen, ik verstopte me in de heuvels, om niemand tegen te hoeven komen, ik viel in slaap, maar als dat lichaam gaat slapen, moet ik eruit, de eigenaar komt in zijn droom terug en stoot mij eruit, ook de zwakkeren zullen niet twee maal toelaten, dat hun lichaam geleend wordt, heb ik intussen gemerkt. Ik kan in de droomwereld een lichaam uitkiezen van iemand die in de buurt van Amsterdam woont en alleenstaand is, dat weet ik dan gewoon. Pieter keek Rolf schuin aan, en zei: ‘Moet ik dit nu echt allemaal geloven, denk je nu werkelijk dat zo’n verhaal er bij mij wel als koek in gaat?’ Rolf knikt bedachtzaam en zegt: ‘we hebben vroeger wel eens tegen elkaar gezegd, dat als er iets zou gebeuren wat heel eigenaardig is, waar je met niemand over kon praten, dat één van ons in ieder geval een open oor zou hebben, en in eerste instantie alles geloven’. Pieter kijkt met een verbaasd gezicht Rolf aan: ’ dat hebben Rolf en ik inderdaad afgesproken, maar jij bent Rolf niet, met jou heb ik geen afspraak, ik ken je niet eens!’ Rolf begint te lachen en door het lachen heen vertelt hij dat dit nu juist zo’n vreemde situatie is, dat hij dus wel Rolf is en dat Pieter dat onvoorwaardelijk moet geloven, totdat hij het tegendeel zal kunnen bewijzen. Rolf vervolgt dat Pieter maar eens wat dingen moet vragen die alleen hij en Pieter kunnen weten, misschien zal dat het wat makkelijker maken om hem te geloven. Pieter schenkt de laatste druppel uit de fles en loopt naar de telefoon. Rolf zit met een vragend gezicht en een glas wijn in zijn hand, naar Pieter te kijken. Pieter toetst een nummer en kijkt terloops met gefronste wenkbrauwen naar Rolf, de telefoon gaat over en wordt opgenomen: ‘ ja, met mij, eh.. ik moet nog even wat afhandelen bij een klant, ik kom niet eten, dus wacht maar niet op me, okay? Tot vanavond.’ Hij legt de telefoon weer neer en blijft met zijn handen in zijn zij naar Rolf kijken, dan draait hij zich om, pakt zijn lange zwarte jas van de kapstok en hij wenkt met zijn hoofd naar Rolf: ‘kom we gaan wat eten, dan zal ik je met wat lastige vragen confronteren.’ Ze lopen samen naar buiten, richting het Griekse restaurant ‘Plaka’. De ochtendnevel onttrekt de berg aan het gezicht, de net opkomende rode zon kleurt de bergen purper, de sneeuw rood en er vallen lange schaduwen, er is stilte, althans bijna stilte, in de verte ergens uit die nevel komt een geluid, een geluid van zingende Tibetaanse monniken. Binnen in het klooster zitten 12 monniken te mediteren, bellen wierook en het sonore gezang vullen de ruimte. Een oude monnik heft zijn hand op en het is stil. Hij spreekt de monniken toe: ’ het is gebeurd, de onwetende wordt wijs, misschien gaat het te snel, iemand moet helpen, wie?’’ De oude monnik kijkt rond en Lama Depok Trungpa knikt met zijn hoofd. Leidt de blinde en temper de wijsheid, het evenwicht mag niet verstoord worden, zoek hulp in de spiegel, pas op voor de zwakheid, vernietiging is nabij. Het is van groot belang om te slagen, Lama Depok Trungpa zoekt de uitweg. Lisa loopt naar huis, de laatste tram is al weg, het was erg gezellig geweest met Mary in de pizzeria, ze denkt aan de goede tijden die ze samen beleefd hebben, tranen van weemoed staan in haar ogen. Kon ik de tijd maar terugdraaien, ik zou . . ., maar ze wuift de gedachten weg, het is weer dezelfde valkuil, dingen willen die niet kunnen en daar dan je zelf mee voor de gek houden. . . , nee het gaat om de realiteit, om nu! De realiteit is dat Rolf in coma ligt, dat haar leven daardoor ondersteboven is gezet, dat niets meer vanzelfsprekend en veilig is. De tranen die eerst nog in haar ogen een afwachtende houding aannamen, komen nu massaal naar buiten en rollen over haar wangen. ‘Het is zo gemeen! Waar heb ik dit aan verdiend!’ Het verdriet maakt langzaam plaats voor de woede, de machteloze woede, waarbij je alleen nog kunt schreeuwen. Ze staat plotseling in haar kamer en doet het licht aan, ze heeft de hele weg naar huis alleen maar gedacht en gedroomd, ze heeft de weg onbewust afgelegd, ze kan zich niet meer herinneren dat ze de deur heeft geopend, de trap is opgelopen. Ze kijkt door haar betraande ogen om zich heen, haar oog valt op het scherm, het is aan, er staat een pictogram op wat haar zeer bekend voorkomt, het is een pictogram wat Rolf altijd gebruikt voor zijn e-mail, ze strijkt er met haar vinger overheen en er verschijnt een tekst. Ze leest half mompelend: ‘ E-mail to Lisa van der Moolen, time: 00:12:36 date: 14-03-2012 Lieve Lisa, dit is geen grap! Ik ben bij je in de buurt, bel Pieter, hij weet er van. Rolf ‘. ------- Lama Depok Trungpa kijkt intens naar het kistje, dat hij zorgvuldig in zijn handen houdt, hij kijkt de oude monnik die naast hem zit aan ‘het mag nu, we kunnen nu geheime kennis gebruiken, de kennis die vele eeuwen voor ons ook gebruikt werd, de tijd is gekomen.’ Een glimlach speelt om de lippen van de oude monnik hij pakt een dik papieren blad uit een nis naast een Boeddha beeld, op het blad staan twee handen, waarvan de vingers merkwaardige lijnen vormen, Lama Depok Trungpa kijkt er naar en vouwt zijn vingers volgens het patroon van de tekening, de monniken beginnen te zingen, diep lage stemmen echoën door het klooster en rollen de berghellingen af, de Yaks kijken op, de vogels zwijgen, ‘Om Ma Ni Pat Me Hum. . . ‘ Dan na enkele minuten opent het kistje zich, net zoals dat spontaan bij Rolf gebeurde. De geest van de Lama stroomt als wit doorzichtig licht een ondefinieerbare ruimte binnen, een ruimte waarin de illusies en dromen van vele zielen de vorm bepalen. De Lama weert de bekende angsten en beelden af met een glimlach, hij verplaatst zich onbelemmerd door ruimte en tijd en vindt de oorsprong van het lek tussen de grofstoffelijke wereld en de fijnstoffelijke wereld, je zou kunnen zeggen dat het via Rolf lekt tussen de 4e dimensie en de 3e dimensie. Het lichaam van Rolf bevindt zich in een toestand zonder geest, maar de verbinding bestaat nog, de verbinding heeft zich onnavolgbaar vertakt in deze schemerwereld van het niet bestaande. De Lama volgt de verbinding tot hij ziet dat de verbinding ophoudt in een lichaam dat niet van Rolf is. De Lama gaat het lichaam binnen. Rolf wordt duizelig, hij wankelt en voelt duidelijk een enorme druk van iets vreemds, de druk is sterk maar niet beangstigend. Voorzichtig maken twee geesten plaats voor elkaar, Rolf controleert de zintuigen en de motoriek van het lichaam, terwijl de Lama op de achtergrond, als een fluisterende geest aanwezig is. Rolf voelt zijn aanwezigheid en wordt gedachten die niet van hem zijn gewaar. Laat mij je helpen, het is moeilijk voor je, je weet niet wat je bent, ik zal je deel voor deel begeleiden en uitleggen wat er met je gebeurt, tot je zelf kan zien en niet meer blind bent, tot je één bent, dan zal ik niet meer nodig zijn. Rolf rukt zijn hoofd opzij, alsof hij er iets uit wil schudden, hij voelt gedachten van iets vreemds, hij wil dat niet, maar hij is er ook niet bang voor. ‘Ben ik schizofreen? Waarom kan ik niet wakker worden in mijn eigen lichaam?’ De Lama lijkt zachtjes tegen de geest van Rolf te duwen, wat een kalmerend effect op hem heeft, de Lama stelt hem gerust en laat Rolf weten: alles wordt helder, heb vertrouwen. Rolf zucht en laat alle weerstand varen, dan ontstaan er beelden. Hij beweegt zich met een schijnbaar lichaam wat sterk op Rolf lijkt door een ruimte die niet te beschrijven valt, hij wordt ‘licht’ gewaar, zacht licht enigszins diffuus, het is rood in de vorm van een bol die tegelijkertijd ook binnenste buiten lijkt gekeerd, het is een ruimte met meer dan drie dimensies. De Lama leidt hem naar het dof rode licht en laat zijn gedachten als kleine draaiende diamanten voor zichzelf spreken dit is de illusie van Preta-loka, hier zijn de geesten van diegene die zich hebben laten verleiden binnen te treden, maar de geesten zijn hun eigen illusie binnen gegaan en houden hem daardoor in stand, het is slechts een spiegeling van het tijdloze rode licht wat intenser, verblindend en ongekend helder is. Zie je het verschil? Rolf geeft geen antwoord, maar is één moment heel helder van geest, een soort ‘weten’ zonder te begrijpen, hij ziet de spiegeling en daardoor het niet bestaande, de illusie. Op dat moment kantelt het dof rode licht in alle richtingen, van uit het midden, van achter, van voren, boven en onder, dit alles gelijktijdig. De spiegeling valt in ontelbare deeltjes uitéén de illusie is verdwenen, en een verblindend rood licht wordt één met de geest van Rolf, een tijdloos moment van eeuwigheid is zijn deel. Met een schok is de geest van Rolf de verstikkende begrenzing gewaar van een grof stoffelijk lichaam, hij knippert met zijn ogen, of althans met de ogen van het lichaam waar hij zich in bevindt. De Lama sluit het kistje, zijn gerimpelde ronde hoofd kijkt naar de zingende monniken en er verschijnt een lach om zijn mond. De monniken houden op met zingen en beginnen ook te lachen, ze zijn opgewonden en ze stellen vele vragen aan de Lama. De oude monnik neemt het woord:’ Heb je de juiste weg gevonden?’ ‘Ja het was de juiste weg.’ De monniken grinniken, de oude monnik gaat verder: ’ heeft de blinde gezien?’ ‘Ja hij heeft gezien’ ‘Is de Preta-Loka vernietigd?’ ‘Ja hij heeft het vernietigd.’ Weer opgewonden gefluister en gegrinnik ‘ hij is het, de tijd is gekomen, werkelijkheid voor iedereen. Lama Depok Trungpa! begeleidt hem met uiterste zorg, laat hem niet zwak worden, wees op je hoede voor onbekende krachten, we mogen niet falen’ De Lama knikt en lacht en vraagt: ‘hoe herken ik de onbekende kracht?’ De oude monnik kijkt de Lama aan: ’ zie het als een valse spiegel, het weerkaatst de werkelijkheid met dezelfde intensiteit, maar het is de antiwerkelijkheid, het is machtig, bekend als de antiboeddha, de antichrist, het getal 666 hiervan zeggen sommigen dat de 6 Loka’ s 3 maal zo sterk weerspiegeld worden als was het werkelijkheid, er zijn vele namen voor, alleen wijsheid en puurheid ontmaskert deze kracht, niemand van ons weet precies hoe de kennis verloren is gegaan’ Lama Depok Trungpa buigt en verlaat het klooster, klimt over de rotsen en loopt het naaldwoud in naar zijn plekje. Aan de oever van een wild stromende rivier gaat hij zitten en het geraas van het water wordt de stilte in zijn hoofd. Pieter staart met opgetrokken wenkbrauwen naar de man die beweert dat hij Rolf is, haalt zijn schouders op en maakt aanstalten om weg te gaan. Rolf wrijft in zijn ogen en ziet dat Pieter opstaat: ’ hé, wacht nou even, ga nu niet weg!’ Pieter kijkt Rolf aan en zegt:’ oh, .. ben je wakker? , ik verdoe mijn tijd met zo’n gestoorde als jij, ik zit al 5 minuten allerlei vragen te stellen en jij staart dwars door me heen, als of je er niet helemaal bij bent, zeg maar helemaal niet bij bent dus.’ Rolf schudt zijn hoofd: ’ Eh. . ja. . eh sorry, dat klopt ook wel, ik was even niet bereikbaar, ook dat leg ik je nog uit, maar blijf alsjeblieft, ik moet iemand kunnen vertrouwen, je kan onze afspraak niet zomaar laten voor wat het is . . . kom laten we wat bestellen’ Op dat moment is er de situatie waarin die twee in een besluiteloze pat stelling dreigen te raken, Pieter die laat blijken het wel genoeg te vinden en al bijna wegloopt, en Rolf die hem smeekt om vooral niet weg te gaan. Het spel wordt perfect gespeeld en Pieter verandert zijn lichaamshouding van ‘ik ga nu weg’ naar ‘misschien blijf ik nog even’ Pieter buigt zich naar voren, steekt zijn vinger langzaam in de lucht, precies voor de neus van Rolf ‘ okay, geef me nu één goede reden waarom ik niet weg zou gaan!’ Rolf kijkt Pieter geamuseerd aan ‘ik heb niet één reden, maar ik heb wel honderd redenen, vraag mij maar iets waarvan jij denkt dat niemand dan alleen Rolf dat kan weten. Pieter strijkt met zijn hand over zijn kin en zegt: ‘ bedenk jij maar eens wat, waarvan jij weet dat alleen Rolf en ik dat weten!’ ‘ Okay, laat ik eens denken. . . . goed, wat zeg je hier van, alleen ik weet dat jij een keer met Marja naar bed bent geweest, we waren allebei op dat feest in de Vondelstraat en allebei dronken en toen hebben we gewed dat jij nooit met haar in bed zou duiken, want we zagen dat ze een oogje op jou had. Ik had gewonnen, een fles whisky!’ Pieter zijn mond is tijdens deze openbaring langzaam steeds verder open gaan staan, zijn ogen worden groter en groter en druppeltjes zweet vormen kleine zoutwater riviertjes op zijn verbaasde gezicht. Koortsachtig probeert Pieter een verklaring te vinden ‘Hoe kan ie dat weten??, Het is onmogelijk, Rolf zou dat nooit aan een ander vertellen en zeker niet aan een vreemde . . . hoe kan dit??’ De vertwijfeling op het gezicht van Pieter is Rolf niet ontgaan en hij zegt met een belerend stemmetje ’ is dit misschien een goede reden om maar even te blijven luisteren naar me, hm?’ Pieter blijft even bewegingsloos staan, pakt de stoel vast en trekt hem langzaam onder het tafeltje vandaan, hij gaat zitten, zijn ogen blijven op Rolf gericht, hij zegt niets. Rolf leest de totale verwarring van zijn gezicht en zegt zacht ‘Eerst maar een karafje Retsina?’ Pieter knikt allen maar en blijft Rolf aanstaren, zijn donker wat vettige naar achter gekamde haar is voor een gedeelte opzij gevallen en bedekt met een krul zijn voorhoofd, zijn kleine bruine ogen vernauwen zich en hij zegt ‘dit is waanzin!’ Rolf knikt ‘het is voor mij nog veel waanzinniger en soms denk ik werkelijk dat ik knettergek ben geworden’ Pieter wenkt de ober, een wat oudere Griekse man met snor en borstelige wenkbrauwen, de jaren in het restaurant kleven als draden lijm onder zijn voeten en moeizaam legt hij de meters af die hem van hun tafeltje scheidt. ‘ Een karaf Retsina, en doet u maar een portie Keftedes erbij’ Pieter kijkt Rolf vragend aan, waarop Rolf zegt:’ voor mij Stifado graag en.. oh ja. . één Griekse salade’ Pieter knikt:’ die keuze zou Rolf ook gemaakt hebben, maar wat vindt je van mijn keuze?’ Rolf strekt zijn rug en zegt achteroverleunend: ‘ tja, meestal bestel je Mousaka, maar dit is zeker weer een test nietwaar?’ Pieter glimlacht wrang en steekt een sigaar op. De ober sloft naar hun tafeltje en zet een koud beslagen roodkoperen karafje met Retsina op de tafel. Pieter schenkt twee glazen vol en heft het glas ‘ op de waanzin’ en hij drinkt zijn glas bijna in één keer leeg. Rolf kijkt hem aan en schud langzaam zijn hoofd ‘ nee niet op de waanzin, maar op het leven, ik wil hier uit, deze waanzin is voor mij net zoals voor Lisa een hel en jij moet me daar bij helpen.’ ‘Voordat ik je ga helpen, moet ik eerst geloven dat jij Rolf bent, en tot nu toe weet ik niet wat ik geloven moet.’ ‘Daar gaan we dan wat aan doen’ ‘En wat dan wel als ik vragen mag?’ ‘Jij stelt me vragen, net zolang tot je echt geloofd dat ik Rolf ben, eerder hou je niet op, en dan gaan we aan de slag om hier een oplossing voor te zoeken en vraag me niet hoe!’ Pieter blijft onbeweeglijk zitten en zegt toen: ‘okay, dat doen we’ Na een uur is Pieter bekaf en behoorlijk aangeschoten, hij heeft alles gevraagd wat alleen hij en Rolf kunnen weten en hij heeft overal de juiste antwoorden op gekregen. Zijn hoofd tolt er van, zuchtend zegt hij: ‘je praat als Rolf, ik bedoel alleen Rolf praat op die manier met me. . . . ik eh.. ik moet toegeven dat je alles goed beantwoord hebt, dat ik zelfs het gevoel had met Rolf te praten, maar ik kan het gewoon niet accepteren dat jij Rolf zou zijn, gevoelsmatig niet en verstandelijk niet, hoewel ik logisch gezien jou zou moeten geloven.’ ‘Hou het dan maar logisch.. help je me?’ Pieter knikt ja maar het is een ja met heel veel bedenkingen ‘ okay ik probeer je te geloven en ga je helpen, ik weet nu dat ik dus gek ben geworden, maar okay ik geloof je.’ Rolf slaakt een diepe opluchtende zucht ‘aan de slag dan, ten eerste weet ik van wie dit lichaam is, hij heet Arnold Sweers en hij woont in Buitenveldert’ Rolf haalt een portefeuille uit zijn zak en geeft hem aan Pieter. Mompelend inspecteert Pieter de inhoud en zegt: ‘laten we samen maar eens naar die flat van jou. . eh. . hem gaan’ en geeft de portefeuille weer terug aan Rolf. Pieter wenkt de ober ‘ betalen graag!’ De ober vraagt met een niet gespeelde verbazing: ‘ Is er iets niet in orde heren?’ ‘Nee nee, het is allemaal prima in orde, het heeft niet met het restaurant te maken, we moeten gewoon plotseling weg’ ‘Ah, juist ja, ik breng u de rekening’ Rolf legt een girobetaalkaart op de tafel, Pieter trekt zijn jas aan en loopt naar de deur, hij kijkt achterom en ziet dat Rolf hem volgt. Ze staan buiten en het is intussen gaan regenen, Pieter trekt zijn kraag op. Twee schimmige gestalten die weerkaatsen tegen het natte zwarte asfalt lopen de straat uit. Het is een maanloze donkere nacht in Amsterdam, er zijn niet zo veel mensen op straat terwijl het niet bijzonder laat is, de regen die maar door miezert houdt de mensen binnen. Het autootje van Pieter rijdt de van Baerlestraat in, het concert gebouw voorbij richting Buitenveldert. Rolf zit nu toch enigszins gespannen door de autoruit te turen ‘waar was het ook alweer?’ vraagt hij zich voortdurend af, plotseling ziet hij waar hij op de tram gestapt was ‘ hier! , hier deze straat in’ Pieter geeft een ruk aan zijn stuur. ‘Nu eh . . . links’ terwijl Rolf dit zegt maakt hij een schrijfbeweging met zijn rechterhand, om te weten wat links of rechts is, een afwijking die bij Rolf past en wat Pieter niet ontgaat. Hij stopt de auto en kijkt Rolf aan ‘ Rolf.. jij bent het ik geloof je Godverdomme, je bent het echt, die beweging om te zien wat links of rechts is, shit man…je bent het echt!’ Rolf kijkt opgetogen met tranen in zijn ogen Pieter aan ‘ hoe simpel, niets geen verhalen met goede antwoorden, gewoon een gebaar, onbewust, maar helemaal van mezelf, dat doet het meer is niet nodig’ Ze omarmen elkaar en blijven een tijdje zo zitten. Pieter start de auto weer en vraagt of ze in de buurt zijn. ‘ Ja daar die straat in en dan meteen schuin aan de overkant, nummer 32.’ Hij parkeert de auto voor de deur en ze stappen uit. Het is een ééngezinswoning een beetje fantasieloos, zo’n vierkante bak met beneden en boven, grijs met donkerhouten raamkozijnen en een groene vlakke voordeur. Rolf loopt naar de deur met de sleutels in zijn hand, hij wacht even tot Pieter naast hem staat en wijst dan op het naambordje. ‘A.Sweers’ staat er, hij steekt de sleutel in het slot en doet de deur open Een lucht van papier en sigarettenrook komt hen tegemoet, Rolf doet het licht aan, ze staan in een hal, veel houtwerk en ook een houten vloer, hij doet de deur open en loopt de kamer in, ook daar doet hij wat lampen aan, de kamer ziet er rommelig uit, veel papieren slingeren rond. Er staat een bureau met een oude computer, en er liggen krantenknipsels bij. Ook hier een houten vloer, de meubels zijn alleen functioneel, niet met smaak gekozen, alsof ze hier niet thuis horen. De keuken is een deel van de kamer en ziet er net zo rommelig uit, een restje eten, van de Chinees zo te zien, en nog een afwas van een paar dagen. Rolf heeft intussen twee koude biertjes uit de ijskast gehaald en loopt terug de kamer in. Pieter kijkt met nietszeggende ogen de kamer rond en zegt dan: ‘ maar wat doen we hier eigenlijk?’ Rolf kijkt Pieter verbaasd aan’ Jij wilde hier toch naar toe?’ ‘Ja dat is waar, maar ik weet niet meer waarom’ Rolf gaat zitten, de bank is zacht, zo zacht dat je het gevoel hebt dat er nooit meer uit kan opstaan, alsof je gevangen zit de bank vouwt zich langzaam om hem heen, in paniek springt Rolf op, Pieter kijkt hem geschrokken aan ‘Wat is er?’ ‘Ik ben geloof ik een beetje paranoia, ik kan er niet meer tegen, ik geloof dat ik gek word.’ Rolf huivert en staat met zijn armen over elkaar in de kamer. Pieter strijkt met zijn hand over zijn kin ‘Dat gevoel heb ik dus ook, dat ik gek ben om hier in dit huis te zijn met een man die ik niet ken, maar waarvan ik denk te weten dat het Rolf is, hoe langer ik er over na denk hoe absurder alles wordt.’ Rolf loopt intussen naar het bureau en schakelt de computer in. ‘Wat ga je doen?’ Pieter loopt hem achterna. ‘Ik ga Lisa een e-mail sturen en vraag haar jou te bellen’ ‘Oh, en wat moet ik daar dan mee ‘ antwoordt Pieter bijna wanhopig, in gedachten ziet hij hoe Lisa reageert als hij haar vertelt dat Rolf verhuisd is naar een ander lichaam, ze zou hem voor gek verklaren en ze zou gelijk hebben. Zonder Pieter aan te kijken zegt Rolf nuchter ‘Uitleggen hoe het zit’ Dan is het Pieter teveel, met een ruk draait hij zich om en loop naar de deur ‘ik ga naar huis en morgen kom ik hier terug en dan zullen we eens zien wie hier gek is.’ Met twee grote stappen is hij de kamer uit en verdwijnt in de donkere nacht. Rolf blijft geschrokken achter, voordat hij het kon verhinderen was Pieter vertrokken, hij rent Pieter achterna, maar de auto draait net de straat uit. ‘Morgen komt ie terug, ja ja, dan ben ik dus niet meer in dit lichaam, dan vindt hij dus de echte Arnold Sweers, die waarschijnlijk denkt dat Pieter niet goed bij zijn hoofd is.’ Rolf loopt weer naar binnen, en laat zich met een zucht op de bank vallen. ‘Maar misschien is dat juist goed, dat bewijst alleen maar dat hij me nog meer gaat geloven. Hij drukt zich gapend uit de gulzige bank en gaat op zoek naar een nachtmutsje ‘onze Arnold is een erg braaf ventje.’ mompelt Rolf in zichzelf, hij vindt niets dat op sterke drank lijkt en gaat teleurgesteld weer zitten, hij doet de TV aan en zapt verveeld van de ene shit naar de andere. Zijn ogen kijken wel maar ze zien niets, zijn gedachten draaien in zijn hoofd als een kermismolen rond, de vakantie in Tibet, Lisa, het kistje, die rare monnik, coma…, en terwijl op de TV het zoveelste wondermiddel wordt aangeboden tegen slapeloosheid, vallen zijn ogen dicht en neemt de slaap bezit van zijn geest. Bewust wordt hij van de enorme druk om hem uit het lichaam van Arnold te stoten, hij verzet zich niet en schiet in een draaikolk van licht door tijd en ruimte. Hij neemt een gedachtelichaam aan, zonder zich te verbazen hoe hij dat doet Zijn gedachten zijn nu bij het lichaam van hem zelf, het lichaam dat in coma ligt, op dat moment neemt hij het lichaam ook waar, niet zoals met ogen zien, maar anders, vollediger zou je kunnen zeggen. Hij ziet nu ook de oplichtende, gelijkend op een met diamanten bezette twinkelende energiebaan. Deze constante beweging van energie verbindt zijn gedachtelichaam met zijn lichaam in coma. Hij weet dat die verbinding essentieel is voor de terugkeer naar zijn grofstoffelijke vorm. Met grote krachtsinspanning probeert Rolf in te treden en het lichaam te controleren, de blokkade is er nog steeds, alle motorieke functies zijn onbereikbaar. Hij weet dat hij weer een ander lichaam moet lenen en op dat zelfde moment is hij in de droomwereld van de slapenden. Ik moet een persoon vinden, een alleenstaande in de buurt van Amsterdam, hij scant de geesten van de dromers met een tijdloze snelheid af, op dat moment staat hij voor haar, ze kijkt hem aan, verandert voortdurend van vorm, en deinst achteruit. Haar nachtmerrie begint, ze probeert weg te rennen, maar ze komt heel moeizaam vooruit, angstig kijkt ze achterom, Rolf stuur een geruststellende gedachte naar haar geest, ze blijft staan, nu meer verbaasd. Rolf ziet de energie verbinding die haar gedachtelichaam met haar slapende vorm verbindt. Hij schiet via die verbinding haar slapende lichaam binnen, tegenstand van een heel andere aard dan bij een man, subtieler, maar daardoor moeilijker te doorbreken, met kracht drukt hij haar geest in het uiterste hoekje van het brein en grendelt zonder te weten hoe, dat deel van het brein af. Hij, of moeten we zeggen zij wordt wakker. Het hoofd van Pieter zit vol, hij kan niet meer goed denken. ‘Hoe kan ik hier intrappen?’ vraagt hij zich af ‘nee, het is echt’ protesteert hij dan weer. Hardop pratend stapt hij zijn auto uit, een paar late barbezoekers kruizen lawaaierig zijn pad, het is droog, er vallen gaten in de donkere wolken boven hem, hij staart omhoog en ziet hoe de randen van de wolken verlicht worden door de maan. Met een kordate pas loopt hij richting Brouwersgracht, de grachten zien er mooi en rustig uit, dat doet hem goed. De woonboot waar hij woont is donker, Juliska slaapt waarschijnlijk al, hij loopt voorzichtig de loopplank op en steekt de sleutel in het slot. Binnen doet hij een lampje aan ‘koffie! dat moet ik hebben, ik moet even bijkomen van deze waanzin’ hij loopt naar de keuken en stelt het koffie apparaat in op 4 kopjes. Hoofdschuddend loopt hij van de keuken naar de kamer en weer terug, tot het bekende ‘bliep!’ van de koffiemachine hem duidelijk maakt dat de koffie klaar is. Met een grote beker zwarte koffie laat hij zich zakken in zijn opa-stoel. Het scherm licht op, ‘bericht’ luidt de tekst op de zwak blauwe achtergrond. Hij pakt de afstandsbediening en opent het bericht, het is van Lisa. Onmiddellijk schakelt hij over op communicatie, het ongeruste gezicht van Lisa verschijnt in beeld. ‘Pieter, ik heb net een e-mail gekregen van een gek, die zegt dat ie Rolf is en dat ik jou moet bellen, wat is dit?!’ Pieter slikt zijn laatste slok koffie door en kijkt naar het vragende gezicht van Lisa, daar was hij al bang voor ‘Godverdomme wat moet ik nu tegen Lisa zeggen, ik weet zelf niet eens wat ik moet geloven’ Met een scheve glimlach en wat stuntelige handgebaren verhaalt hij het gebeurde. Met haar rood gestifte mond open van verbazing, schudt ze langzaam haar hoofd heen en weer ‘Pieter!. . . dit is absurd! ben je dronken of zo? geloof je zelf wat je zegt?’ ‘Nee en ook weer Ja, ik weet het verdomme ook niet, maar morgen ga ik die Arnold weer eens opzoeken, kijken of hij nog steeds denkt dat ie Rolf is’ Lisa kijkt Pieter een tijdje aan, laat haar hoofd hangen zodat haar rode haardos bijna het gehele scherm bedekt en zegt ‘kan ik met je mee?’ ‘Natuurlijk! Hoe laat?’ ‘Doe maar 10 uur morgenochtend, ik ga toch maar niet naar mijn werk, ik blijf nog een tijdje met verlof.’ ‘Okay, welterusten.’ Hij schakelt het scherm uit, loopt naar de badkamer, trekt zijn kleren uit en stapt onder de douche. De warme stralen kletteren op zijn hoofd, hij gaat op de grond zitten, doet zijn ogen dicht en stopt zijn vingers in zijn oren. Hierdoor wordt het kletteren intenser, alsof het van binnen trommelt, een rustig donker geroffel, het geeft een veilig gevoel. Hij blijft een uur zo zitten, alvorens hij rozig bij Juliska kruipt. Rolf heeft zich meester gemaakt van de motoriek van het lichaam wat hij in bezit heeft genomen en doet zijn ogen open. Hij ligt in een groot bed met schone gladde lakens, satijn lijkt het, het voelt koel en weldadig aan, de slaapkamer is zalmkleurig, er hangen donkerblauwe gordijnen er staan twee kersenhouten kledingkasten en een toilettafel van dezelfde houtsoort met een marmeren blad er op, op de stoel hangen wat kleren. Hij krijgt de indruk dat de dame niet onbemiddeld is. Hij beweegt zijn hoofd en bemerkt de enorme haardos die meedeint, met een schok realiseert hij zich dat hij een vrouwenlichaam heeft, hij springt uit bed en kijkt in de rookkleurige spiegel die boven de toilettafel hangt. Hij ziet een prachtig vrouwenlichaam, mooie volle borsten, donker lang haar, volle lippen, enigszins Aziatische ogen, klein van stuk. Hij betast met zijn kleine ranke handen de borsten van het lichaam, knijpt zachtjes in de tepels wat hem een eigenaardig maar aangenaam gevoel geeft onder in de rug, hij kijkt naar zijn (haar) vagina, een gecastreerd gevoel komt over hem en voelt met zijn hand op de plek waar iets mist. Plotseling komt er een géne over hem, hij beseft dat hij ongegeneerd het lichaam van een machteloze vreemde vrouw betast, dit klopt niet, dit is een soort verkrachting, maar zijn nieuwsgierigheid is erg groot. Wat voelt een vrouw? Er wordt aangebeld. Het hart stokt hem in zijn lijf. ‘Wat nu?’ Hij loopt naar de kamer waar hij bij de deur een monitor ziet hangen, hij druk op de knop ‘Check out’ en ziet op het beeldscherm een jonge vent staan. De man kijkt op en zegt:’ Monica! waar blijf je nou?, je bent laat.’ Rolf schrikt, die vent kan hem ook zien, hoe kan hij zich hier uit lullen. ‘Oh eh sorry, ik heb me geloof ik verslapen’ Rolf schrikt van zijn vrouwelijke hoge stemmetje, hij vervolgt zijn betoog: ‘Ik voel me niet lekker, is morgen ook goed?’ De ogen van het ventje worden groot ‘morgen?? , wat bedoel je met morgen?, dan zijn ze vertrokken, dan kun je die opdracht wel op je buik schrijven. Slik iets of doe iets, maar schiet in vredesnaam op.’ ‘Geef me een paar minuten’ Rolf loopt bezweet de slaapkamer weer in. Plotseling hoort hij de deur open gaan, hij kijkt door een kier van de slaapkamerdeur. ‘Shit hij heeft de sleutel, gauw wat aantrekken’ koortsachtig trekt hij een kamerjas aan die hij blind uit de kast vist en loopt de kamer in. ‘Ha. daar ben je, zullen we meteen maar gaan?’ Schuinkijkend neemt hij de man op, ongeveer 30 jaar schat hij, beetje een opgewonden typetje met een trendy jasje aan, wat bij de snelle business past.’ Kleed je toch aan’ wanhopig slaat hij met zijn hand tegen zijn hoofd. Met een zucht loopt Rolf weer de slaapkamer binnen en pakt wat kleren waarvan hij vindt dat die wel passen bij dat ventje zijn uitstraling. Hij kleedt zich aan, doet de slaapkamer achter zich dicht en ziet de man met verbaasde ogen naar hem kijken’ waar heb je dat vreselijke truitje vandaan en je hebt je helemaal niet opgemaakt!’ Rolf kijkt de man verbouwereerd aan. Loopt terug naar de slaapkamer en probeert zo secuur mogelijk zijn lippen met een zacht oranje lippenstift te stiften met een oogpotlood trekt hij lijntjes om zijn ogen en met goudkleurige oogschaduw brengt hij de finishing touch aan. Hij kamt zijn lange donkere haar en spuit Chanel 5 op, trekt een strak zwart truitje aan in plaats van de grijze bloes en vraagt de kamer inlopend’ zo beter? Ja veel beter maar schiet in vredesnaam op, we hebben nog maar 10 minuten tot het W.T.C’ In de auto denkt Rolf wanhopig na, hoe hij uit deze situatie kan komen. ‘Mijn tasje, ik ben mijn tasje vergeten’ roept hij. Met een ruk draait de auto linksom en met gierende banden rijdt de man vloekend terug naar de flat. Rolf stapt haastig uit, loopt snel naar de deur maar beseft dat hij geen huissleutel heeft. De man heeft het al begrepen en gooit de sleutel door het autoraampje naar Rolf. In de kamer gekomen ziet hij een tasje liggen en denkt dat heb ik goed gegokt, nu nog weg zien te komen, misschien kan ik door het keukenraam naar buiten. Maar plotseling staat de man achter hem en schreeuwt’ waar wacht je nu nog op?’ Rolf wordt aan zijn arm mee naar buiten getrokken en de auto in geduwd, de man foetert ‘wat is er in vredesnaam met je aan de hand? , eens paar jaar krijg je zo een kans en je doet of het allemaal niets betekent!’ Rolf haalt zijn schouders op’ ik zei toch dat ik me niet goed voel’ Plotseling voelt Rolf een kleffe hand op zijn dij, die langzaam richting zijn kruis gaat en in een reflex vliegt zijn hand door de lucht en treft de man in het gezicht. ‘Wat krijgen we nou zeg ?’ De man wrijft over zijn pijnlijke wang en kijkt ontsteld naar Rolf. Ik zei toch dat ik me niet goed voel’ en Rolf kijkt naar buiten, denkt ‘dit is een absurde situatie; ik moet weg van die man’ De rit verloopt verder zwijgzaam en bij het W.T.C. aangekomen zegt Rolf’ ga jij maar alvast, ik moet eerst nog naar het toilet’ Okay, je weet waar het is hé kamer 521 op de dertiende verdieping. Rolf verdwijnt in een toilet en kijkt door een kier totdat de man in de lift is verdwenen, dan rent hij naar buiten en springt op lijn 5. De tram rijdt langzaam door het drukke verkeer en Rolf merkt hoe sommige mannen naar hem kijken, hij voelt zich daar ongemakkelijk bij en begint zich te irriteren. Plotseling houdt hij het niet meer en schreeuwt’ wat zit je nu te kijken goorlap, ik weet precies wat je denkt, ga naar een piepshow viezerik!’ De man wordt knalrood en stapt de volgende halte als een dief in de nacht uit. De mensen mompelen goedkeurende woorden als: dat mag best eens gezegd worden of gelijk heeft ze het zijn toch ook smeerlappen, waardoor Rolf zich ook weer een beetje ongemakkelijk voelt en hij zegt’ nou, ja eh ze zijn niet allemaal zo’ en bij de volgende halte moet hij er gelukkig ook uit en loopt de Haarlemmerstraat in, het is druk op straat veel toeristen, een meisje met een gitaar die niet kan spelen en niet kan zingen, toeristen staan er geroerd naar te kijken, ze geven met gulle hand, Rolf gaat de brouwersgracht op richting de boot van Pieter, maar opeens blijft hij staan. Hij ziet Pieter en Lisa de boot uitkomen en op zijn ongemakkelijke hoge hakken rent Rolf aan de overkant van het water en schreeuwt’ Lisa…Pieter……, maar zij horen hem niet, de auto’s maken teveel lawaai en hij ziet hen beide in de auto van Pieter stappen. De auto wordt door een voorbijrijdende vrachtwagen aan het zicht onttrokken en is verdwenen als de vrachtwagen weg is. Shit..shit…stampvoet Rolf en mensen om hem heen kijken naar hem en glimlachen. Met pijnlijke voeten loopt hij terug naar de Haarlemmerstraat waar hij een nasibal uit de automaat bij de snackbar trekt. Pieter kijkt glazig voor zich uit, manoeuvreert de auto bijna automatisch richting Buitenveldert. ‘Hier is het Lisa’ zegt hij met zijn vinger wijzend naar een lichtgroene deur. Met trillende hand doet ze de portier open en stapt uit de auto. Langzaam nadert ze de deur en kijkt op het naamplaatje, “A.Sweers “ staat er op. Pieter staat naast haar en drukt op de bel. Ze kijken elkaar met een afwachtende blik aan ‘hij is er niet’ zegt Pieter, hij draait zijn hoofd links en rechts, en tuurt over straat met de onzinnige verwachting hem daar dan te vinden. Lisa draait zich om en loopt naar de auto. ‘Wat een belachelijke toestand’ ze trekt geïrriteerd het portier open ‘kom , ik ben aan een bak koffie toe’ Pieter stapt in de auto, kijkt nog even naar boven of hij misschien iemand voor het raam ziet staan en rijdt langzaam de kleurloze straat uit. Lisa staart voor zich uit, kijkt Pieter schuin aan en zegt: ‘nu we toch hier zijn kunnen we net zo goed even naar het VU ziekenhuis gaan, even kijken hoe het met Rolf is, ik had vanmiddag wel met mijn broer afgesproken, maar die bel ik wel af.’ ‘Goed idee’ en hij slaat links af de Boelenlaan op. Het grote ziekenhuis komt dreigend dichterbij, het hart van Lisa klopt nu harder, ze voelt het pompen in haar hals en snakt naar frisse lucht. Ze draait het raampje open. Pieter merkt de spanning bij Lisa en ziet uit zijn ooghoeken dat ze haar hoofd iets uit het raampje laat hangen, haar rode haardos wappert in de wind. Pieter parkeert de auto en ze stappen uit, Lisa versnelt haar pas en duwt tegen de draaideur. De typische geur van ether wekt herinneringen aan vroeger op, toen ze nog verpleegster was, nauwelijks 18 jaar en toen al met de dood geconfronteerd. Nee dat was niets voor haar. ‘Lisa?’ Pieter kijkt haar met een bezorgde vragende blik aan. ‘Oh, …ik was even in gedachten’ ze loopt verder richting de liften. De grijze liftdeur gaat met een sissend geluid open, ze stappen de lift binnen, ook hier die ziekenhuisgeur, enkele seconden later gaat de deur weer open en ze kijken de schijnbaar eindeloze gang in. Ze loopt als verdoofd langs de vele deuren, sommige ervan staan open, er staan bedden en apparatuur, de meeste bedden zijn leeg. Links is een soort receptie, er zitten verpleegsters te giechelen, één van de verpleegsters maakt zich los van de gezelligheid ‘kan ik wat voor u doen?’ ‘Ja ik kom voor meneer van der Moolen’ ‘Ah, juist ja de comabewaking, loopt u even mee?’ ‘Hoe is het met hem?’ ‘De arts komt zo bij u’ de verpleegster doet een deur open en Lisa kan haar tranen niet bedwingen als ze Rolf ziet, daar ligt hij roerloos met allerlei draden die hem met de apparatuur verbinden, zijn hartslag is traag maar sterk, de monitor laat het bekende patroon zien, dit geldt ook voor de ademhaling, de ECG laat echter een aantal lange strakke lijnen zien, geen enkel teken van hersenactiviteit. Het gezicht van Rolf is ontspannen, zijn huid is nog bruin gekleurd door de zon. Lisa strijkt met haar hand door zijn steile, donkerblonde haar. Er komt een man in een witte jas naast haar staan ‘goedemorgen mevrouw van der Moolen’ hij knikt kort naar Pieter, de arts loopt naar de ECG en zegt’ ik kan kort zijn, geen verandering, althans tot op zekere hoogte dan, vannacht was er even, zeg 1 milliseconde hersenactiviteit, we zoeken nog uit of dit een stoorpiekje was of daadwerkelijke activiteit, ik wil geen hoop wekken, maar ik vind dat u dit moet weten. Door haar tranen heen kijkt ze de arts aan ‘wat is de kans dat dit echt iets betekent?’ ‘Stoorpiekjes komen met deze apparatuur zeer zelden voor, dus er is een kleine kans dat dit zich kan herhalen, we houden het 24 uur per dag in de gaten, er ontgaat ons niets, we bellen u meteen bij een daadwerkelijke verandering van zijn toestand.’ Lisa knikt en zoent Rolf op zijn voorhoofd, waardoor haar mond rood op zijn hoofd achterblijft. Ze draait zich om en loopt de kamer uit, Pieter raakt Rolf nog even aan en denkt “zou ik je nu wel of niet gesproken hebben?” Met een nasibal in zijn hand loopt hij richting “De Klepel”, de stamkroeg van Pieter. Terwijl hij over de grachten loopt kijkt hij naar beneden, naar de straatstenen waarop hij de elegante schoenen ziet lopen, schoenen die hem goed passen, hoge hakken waar hij nauwelijks last van heeft, de benen die in die schoenen staan zijn fraai van vorm, deze mooie benen schijnen hem te dragen, het is een vreemde gewaarwording. Hij gaat de Prinsenstraat in en blijft voor de Klepel staan, met één hand boven zijn hoofd tuurt hij naar binnen, er zitten twee mensen aan een tafeltje, hij kent ze niet, Victor de barkeeper, staat zoals altijd glazen te poetsen, zijn uiterlijk doet meer denken aan een docent Nederlands dan aan een barkeeper. Rolf doet de deur open en Victor kijkt op, ‘goedemorgen’ zegt Victor met zijn vriendelijkste stem, het is hem niet ontgaan dat er net een schoonheid zijn café is binnengestapt. ‘Goedemorgen’ zegt Rolf en gaat zitten. Victor legt zijn droogdoek weg en loopt naar het tafeltje van Rolf ‘wat mag het zijn?’ ‘Doe mij maar een oor’ Victor trekt zijn wenkbrauwen op en tapt een halve liter bier. ‘Alstublieft dame . . . eh, bent u misschien bekend met één van de heren Pieter en Thomas of zijn vriend Rolf?’ ‘Dat zou je kunnen zeggen’ Oh . . . juist ja, vandaar . . . ik heb nog nooit iemand anders op deze manier een halve liter bier horen bestellen.’ Rolf heft zijn glas proost, zet het glas aan zijn mond en drinkt met gulzige teugen. Hij laat een boer en kijkt waterig naar buiten. Victor kijkt ongelovig met zijn mond half open naar die kleine mooie Aziatische vrouw, die zich als een bootwerker gedraagt. Rolf wordt een beetje draaierig en komt tot het besef dat het lichaam van Monica misschien helemaal wel niet gewend is aan alcohol en zeker niet om halfelf s ‘morgens. Hij kijkt naar het tasje wat hij nog steeds bij zich heeft en begint er in te neuzen. Een betaalpasje, er staat Monica Wong op, een businesskaartje hij leest in gedachten de tekst: “Monica Wong VR development Study’s “ ‘Oei, interessante dame, ze ontwikkelt Virtual Reality omgevingen voor onderwijs en trainingen, adres Apollolaan 24. Hij pakt een spiegeltje en kijkt naar het gezicht van Monica, mooie meid ben ik denkt hij, zijn ogen worden zwaar en plotseling wordt hij weer iets gewaar wat hem bekend voorkomt. Weer die druk, die druk van een andere geest, woordloos hoort hij ‘laat me je helpen, herinner je de vorige keer, toen je het rode licht zag.’ Rolf geeft eveneens antwoord zonder woorden. ‘Ja ik herinner me dat, maar wat gebeurt er met me? ik geloof dat ik langzaam gek word, misschien ben ik al gek, of dood? Zit ik nu werkelijk in een vrouwenlichaam of droom ik alles? Soms lijkt het zo logisch, maar nu geloof ik dat ik droom.’ De monnik neemt een vorm aan en verlaat het lichaam van Monica. Rolf ziet terwijl hij wakker is zowel de monnik als het café, hoewel de monnik van een onvaste vorm lijkt te zijn, als water wat af en toe beweegt. Rolf kijkt naar Victor, die schijnt niets te merken. De monnik zit aan zijn tafeltje en glimlacht, zijn ronde volle maan gezicht vertoont duizenden kleine rimpeltjes. Rolf wil zijn mond open doen, maar de monnik legt zijn vinger op zijn lippen en zegt weer woordloos: ‘ alleen met gedachten, anders denkt ook meneer de barkeeper dat je gek bent ’ de monnik grinnikt ondeugend. Schichtig kijkt Rolf om zich heen ’ ben ik nu gek of niet, er zit een monnik die alleen ik zie en hoor.’ ‘Nee dat ben je niet, ik help je op weg, laat me je meenemen naar de tijd vóór het nu’ voordat Rolf kan reageren voelt hij de lichte druk weer, hij laat het toe. Plotseling is er weer die ruimte, die ruimte met dat extra met dat ondefinieerbare. ‘Denk aan het klooster in Tibet, daar waar het begonnen is.’ Rolf denkt eraan en op datzelfde moment is hij weer in het klooster aanwezig, hij kijkt rond, de oude monnik staat bij de deuropening en Rolf ziet zichzelf de deur doorkomen en de monnik vriendelijk groeten, de monnik buigt vriendelijk terug. Hij ziet hoe hij geïnteresseerd naar dat bewerkte kistje kijkt en dat hij het kistje oppakt. Dan ziet hij een gloed om zijn lichaam ontstaan en ziet duidelijk dat twee handen van licht zijn vingers één voor één op bepaalde plekken van het kistje plaatsen, tijdens dit gebeuren flitst er telkens een Tibetaanse lettergreep in kleur, geluid en als teken door hem heen, onwerkelijk en volkomen helder tegelijkertijd OM MA NI PAT ME HUM. Het kistje opent zich en een verblindende lichtflits brengt Rolf weer terug, hij zit weer in de kroeg en de vriendelijke oude monnik zit tegenover hem. Rolf kijkt de monnik met knipperende ogen aan en zegt: ‘het was zo echt, alsof ik er weer was!’ De barkeeper kijkt op en vraagt: ‘wat zegt u?’ ‘Oh eh niets, of ja geef maar een Cola light.’ Rolf schuift zijn stoel iets meer naar de tafel, buigt zijn hoofd naar de monnik en vraagt zonder woorden: ‘wat heeft dit allemaal te betekenen?’ De monnik staat op en blijft zo’n 10 centimeter boven de vloer zweven, zijn vriendelijke ronde gezicht wordt ernstiger, hij spreidt zijn armen en de woorden stromen Rolf zijn geest binnen. ‘De poortwachter van Sanssara, dat is het kistje wat je opende, alleen ingewijden wisten hoe het te openen, de poortwachter is oud en al langgeleden bij diverse culturen bekend, bij de Grieken was het bekend als het Orakel van Delphi, de Joden kennen het als de Ark des Verbonds en zowel de Egyptenaren als de Inca’s wisten van het bestaan van dit kistje. Ze wisten allen wat het ongeveer was, het werd soms vereerd soms misbruikt, maar geen van allen wisten de werkelijke kracht van de poortwachter. Wij zijn nu de bezitters van het kistje en wij bewaken het, maar jij wist het kistje te openen zonder ingewijd in onze orde te zijn, jij bent een incarnatie van een ingewijde of jij bent Pranastramatoetra, hij die de poortwachter aan ons schonk, de heer van 6 werelden.In de geschriften staat dat Pranastramatoetra als een lichtflits zou terugkeren, om de kracht van de poortwachter vrij te maken, dan is de tijd gekomen om de zes Loka werelden te vernietigen, zodat iedereen verlichting krijgt en het rad van incarnatie wordt doorbroken. Wij denken dat jij dat bent, maar jij weet dat nog niet, geduld! De monnik glimlacht, vouwt zijn handen en floept uit als een TV scherm, Rolf staart naar de lege plek, er blijft een eenzaam gevoel achter. Hij ziet hoe Victor nog steeds onverstoorbaar de bierglazen poetst en denkt: ‘Ik ben gek geworden’ Hij kijkt door het raam naar buiten en ziet vaag maar duidelijk zijn gezicht spiegelen in het raam, het gezicht van een vrouw met lang donker haar en oosterse ogen. Door de spiegeling heen rijden auto’s en fietsers voorbij. Steeds meer realiseert hij zich dat het te idioot voor woorden is, maar hij weet ook dat het geen droom is, de verwarring is totaal. Met bevende handen haalt hij wat geld uit het tasje, loopt naar de bar en betaalt. Hij loopt verward het café uit ‘Die monnik, was dat nou een droom?, de poort?, ik heb de poort geopend? ‘Ik lig in coma, dat weet ik zeker, maar ik zit in een ander lichaam dat ervaar ik nu, ik zie mezelf in het lichaam van een vrouw, er zijn monniken waar ik mee praat die verder niemand anders ziet, ik zit in een krankzinnige toestand, als ik niet gek ben dan word ik het wel.’ Vol van deze gedachten loopt Rolf richting Westertoren. Er is iets van doelloosheid in hem, hij loopt wel maar weet niet waar naar toe, hij komt bij de Westertoren aan en loopt naar de tramhalte, op de bordjes zit hij de diverse routes die tram en bus volgen, zijn aandacht wordt getrokken door bus 170, daar staat VU ziekenhuis bij, een koude rilling loopt over zijn rug, de gedachte die bij hem opborrelt is vervreemdend, surrealistisch en beangstigend het is een gedachte waar hij aan toe moet geven, ook al is hij er bang voor. De bus stopt en de deur gaat open, aarzelend stapt hij in, blijft halverwege staan en staart dwars door de chauffeur heen die zegt: ‘ er in of er uit dame!’ Rolf komt met een schok in beweging en loopt door het gangpad helemaal naar achteren waar de bus vrij leeg is. Hij pakt het pasje uit de tas en schuift het door één van de automaten, ze houdt haar oog voor de lens en er rolt een plaats bewijs uit de gleuf. Gespannen gaat hij zitten en ziet de geluidloze beelden van de drukke stad aan hem voorbij schieten. De bus stopt bij het Leidseplein en er komt een oudere vrouw naast hem zitten. De vrouw probeert oogcontact te krijgen, wat Rolf telkens weet te vermijden, maar dat is blijkbaar niet voldoende, de oude vrouw schudt haar grijze hoofd heen en weer ‘t’ is me toch even goed wat hé, met die bussen!?’ De tenen van Rolf trekken zich terug in het uiterste hoekje van zijn schoen, hij haat dit soort “niet” gesprekken, het is een aanval op zijn tolerantiegrens, hij wordt er letterlijk lichamelijk misselijk van. De oude vrouw dreutelt nog wat na, en haar valse roddeloogjes kijken misprijzend naar die mooie jonge vrouw, pijnlijk geconfronteerd met haar eigen veroudering, Rolf bespeurt duidelijk iets kwaadaardigs in deze vrouw. Ze stapt gelukkig na drie haltes uit, Rolf kijkt haar na, de walging maakt plaats voor medelijden. Bij het Vu ziekenhuis stapt hij uit en loopt naar de overkant, met zijn handen in zijn zij, kijkt hij naar de vele ramen, achter één van die ramen ligt hij, weer een huivering en kippenvel. Hij gaat de grote hal binnen en loopt naar de informatiebalie. ‘ Goedemiddag, kunt u mij zeggen waar Rolf van der Moolen ligt? ‘ Een vriendelijk meisje typt de naam in de computer en antwoordt: ‘3e verdieping kamer 6 afdeling comabewaking’ ‘ Dank u wel ‘ Rolf loopt naar het liftenblok en stapt de lift in, de deur gaat open op de derde verdieping en Rolf loopt de gang op, hij schiet voorbij de receptie en loopt haastig naar kamer zes, de deur is dicht, met een trillende hand duwt hij de deur voorzichtig open, hij kijkt naar binnen en ziet zichzelf liggen. De adem stokt in zijn keel, met knikkende knieën gaat hij de kamer binnen, zijn slapen kloppen en het zweet breekt hem uit. Langzaam nadert hij het bed, hij strekt zijn trillende hand uit en legt zijn vingers voorzichtig op het voorhoofd van Rolf, waar hij de mondafdruk van Lisa herkent. De ECG komt tot leven en geschrokken van de wild krassende pen van de plotter trekt hij zijn hand terug, onmiddellijk stopt de pen met bewegen en tekent weer een onafgebroken lijn op het papier. Hij kijkt Rolf intens aan, speurend naar een beweging al was het maar een trillend ooglid of een trekkend mondhoekje, maar er gebeurt niets, Rolf blijft roerloos, alleen de ademhaling is hoorbaar. Peinzend kijkt hij van Rolf naar de ECG die net zo wild tot leven kwam ‘die machine reageerde toen ik hem, eh mijzelf aanraakte’ Voorzichtig gaat zijn hand weer naar Rolf zijn voorhoofd, De pen van de plotter komt vrijwel gelijktijdig weer in beweging, de hand blijft nu op het voorhoofd rusten, het geluid van de krassende pen wordt heftiger, er beginnen meer apparaten te reageren, de hartslag wordt hoger de bloeddruk stijgt, ook in zijn hoofd wordt een soort geluid weergegeven, een hoog fluitend geluid als een stoomfluit met dat sissende er tussendoor. Iets in zijn hoofd, een weerstand, de geest van Monica is uit haar hoekje gekropen en weet met onveranderlijke hevige druk Rolf uit te drijven. Rolf merkt dat zijn eigen lichaam hem als het ware opslorpt en geeft het gevecht op. Monica valt tegen de vlakte en de ECG apparatuur is weer net zo levenloos als kort daarvoor. De deur wordt opengegooid en een verpleegster rent naar binnen, ze ziet Monica op de vloer liggen en buigt zich over haar heen, ze drukt op het alarm naast Rolf zijn bed en binnen 1 minuut is de kamer vol met wit jassen. Monica wordt bijgebracht ‘hoe voelt u zich?’ vraagt één van de witjassen ‘wat is er gebeurd? wie bent u?, waar ben ik?.’ Ze wordt op een stoel geholpen en de arts zegt: ’ rustig maar, u bent flauwgevallen, kijkt u eens naar mijn vinger?’ Een verpleegster roept opeens: ‘Dokter Pauwen! De ECG was minstens 2 minuten actief!” De arts die Monica onderzoekt komt snel in beweging en is met 3 lange passen bij de ECG apparatuur, hij pakt de papierrol eruit en bestudeert het geheel met verbaasd opgetrokken wenkbrauwen ‘zo te zien is van der Moolen in een droomtoestand actief geweest, dit is net gebeurd zeg maar een paar minuten geleden, vraag eens of deze dame van der Moolen heeft zien reageren? ’ Een assistent loopt naar Monica die verward om haar heen kijkt, hij buigt zich naar haar toe, kijkt met een glimlach in haar mooie maar onrustige ogen en vraagt: ‘Heeft u de heer van der Moolen op iets zien reageren?’ ‘Wat?? Reageren?, wie is de heer van der Moolen, wat gebeurt hier, kan iemand me misschien zeggen wat ik hier doe? Wat is hier aan de hand?’ ‘U weet niet meer dat u op bezoek was bij meneer van der Moolen? , Wat is uw naam?’ ‘Monica Wong’ ‘Herinnert u zich nog meer niet?, wat voor dag is het vandaag?’ ‘Eh. . . woensdag, oh nee Donderdag 12 mei. . . Oh shit, hoe laat is het?’ De assistent kijkt op zijn horloge ‘het is halftwee’ ‘Shit shit shit, te laat . . . kunt u nu eindelijk eens zeggen wat er is gebeurd, wat doe ik hier?’ De assistent gaat naast haar zitten ‘U lag hier op de vloer, u bent flauwgevallen, toen u bij de heer van der Moolen op bezoek was, wat is uw relatie met de patiënt?’ ‘Nogmaals, ik weet niet wie dat is!’ De verpleegster die als eerste de kamer binnen gelopen was viel op dat de lippenstift op het voorhoofd van Rolf is afgeveegd, er zijn alleen nog wat vage vingerstrepen te zien. Ze kijkt naar Monica en terwijl de assistent de polsslag van haar opneemt ziet ze sporen van dezelfde kleur lippenstift in de handpalm van Monica ‘Eh, mevrouw Wong? Als u beweert deze meneer niet te kennen, kunt u mij dan verklaren waarom u de mondafdruk van mevrouw van der Moolen op meneer zijn voorhoofd heeft afgeveegd?’ Monica staart de verpleegster met open mond aan ‘bent u niet helemaal in orde?’ ‘Kijkt u eens naar uw linkerhand!’ Monica houdt haar hand voor haar ogen en ziet de versmeerde lippenstift. Ze staat op en zegt: ‘Ik ga hier weg, dit is te gek voor woorden, dit is echt absurd’ Ze draait zich om en loopt de kamer uit. ‘Mevrouw Wong, alstublieft blijft u nog even, we moeten met u praten, het is echt van groot belang om te weten hoe meneer van de Moolen gereageerd heeft.’ Monica loopt door zonder om te kijken de gang uit de bordjes “EXIT” volgend. Ze stapt de lift in en verdwijnt achter de dichtschuivende deur. Rolf ervaart zijn eigen lichaam als een gevangenis, niets functioneert zoals hij dat wil. Dit is de situatie die bij iemand die in coma ligt past, denkt hij, ‘hoe kom ik hier uit? Hoe deed ik dat? . ‘Ik wil niet gevangen zijn, ik wil niet dood, straks trekken ze de stekker van de apparaten die mij in leven houden eruit en dan is het echt afgelopen.’ Angst overspoelt hem als een plotselinge golf, er trekt een rimpeling over zijn geest, alsof water even beroert wordt, de verstarring wijkt en de geest begint te stromen, als een rustige rivier ontsnapt de geest aan het lichaam, Rolf voelt de bevrijdende vreemde ruimte waar hij in terechtkomt. De geest is nu totaal aanwezig en schept een vorm gelijkend aan de stoffelijke vorm van Rolf, de ruimte is surrealistisch, onbegrijpelijk maar toch enigszins bekend. Rolf wordt een afgrond gewaar, steile puntige rotsen een muur zonder houvast, alles is roestbruin en verdwijnt in een oneindig zwarte diepte. Hij staat aan de rand en een onweerstaanbare drang brengt hem voetje voor voetje naar de afgrond. ‘Nee!!’ schreeuwt hij zonder geluid, zijn voeten blijven de centimeters tot de onpeilbare diepte afleggen, er is geen aarzeling, het koude zweet breekt hem uit, hij is totaal machteloos. Rolf kijkt met grote angstige ogen paniekerig om zich heen en ziet dat hij op een kleine vlakte staat, die rondom omgeven is door een oneindige ruimte. In alle richtingen is er niets meer dan alleen donkerrode en donkerpaarse slierten gas en hoe lager hij kijkt hoe zwarter en oneindiger het wordt. De angst is bijna onverdraaglijk. Naast hem staat de oude monnik, zomaar ineens. Rolf schrikt en probeert zich onmiddellijk aan de monnik vast te klampen, de monnik ontwijkt zijn graaiende handen en glimlachend zegt hij: ‘Angst is de schepper van de illusie’ Rolf kijkt de monnik radeloos aan ‘help me alsjeblieft!’ De monnik verdwijnt. Rolf wankelt en de gapende afgrond staart hem gulzig aan. Hij hijgt, de vlakte waarop hij staat lijkt langzaam te hellen, kleine paarse klonterige steentjes rollen van de vlakte de afgrond in en veroorzaken heldere lichtflitsen daar in de diepte. Rolf gaat zitten en houdt zich verkrampt vast aan wat vreemd struikgewas, langzaam maar gestaag helt de vlakte steeds meer, alles begint te schuiven en te rollen richting afgrond, Rolf probeert omhoog te kruipen, door zijn geest galmen de woorden van de monnik “Angst is de schepper van illusie”. . . . . ‘illusie, het is allen maar illusie!! , dit is niet echt! Niet bang zijn !’ Maar de vlakte helt verder ‘ik moet niet denken, “ik moet niet bang zijn”, ik moet mezelf er niet in betrekken, laat het “ik” weg . . . niet bang zijn en weet dat er geen angst is.’ Op dat moment staat hij in een bos, de grond is zacht bemost er staan overal veelkleurige bloemen, de bomen rijzen statig omhoog de bladeren zijn lentegroen en daar doorheen schitteren in de damp van het bos de zonnestralen als ragfijne zilverdraadjes. Op een mooie gevlekte steen zit de monnik, hij kijkt met zijn vriendelijke ogen Rolf aan en zegt: ‘Laat me je iets vertellen, je bent nu in een tussenwereld, in deze wereld heerst de droom, de droom van alle geesten die nog verbonden zijn met hun grofstoffelijk lichaam. In deze wereld ben je nu en in deze wereld kom je de dromers tegen, waar jij af en toe het lichaam van leent. Rolf kijkt de monnik aan en vraagt: ‘en waar was ik net dan?’ ‘Je was in één van de Loka-werelden, het is je eigen geest die deze wereld schept, het is een illusie, maar ook waar!’ Rolf gaat naast de monnik op de steen zitten en kijkt omhoog naar de zonnestralen ‘ik begrijp er niets van’ De monnik legt zijn hand op de schouder van Rolf en zegt: ‘Je was even heel helder van geest, een soort weten zonder te begrijpen, je wist wat je moest doen om de Loka te vernietigen. Dat is heel bijzonder! Het begrijpen wordt weten, het weten is alles, alles is leegte, leegte is werkelijkheid. Dat is de leer en misschien zelfs dat niet, jij kan het ons straks vertellen, misschien.’ Rolf staat op met zijn armen in de lucht ‘ik het jullie vertellen? Wat in hemelsnaam? . . wat praat je toch in raadsels, praat eens gewoon!’ De monnik buigt, houdt zijn gevouwen handen voor zijn gezicht en lost op in het niets. Rolf is nu zeer bewust, de bomen zijn echt, nee echter dan echt, ze zijn gedetailleerder, nee meer dan dat, ze zijn totaal, vollediger, alsof je elke molecuul in de bast ziet, elk vezeltje heeft een prachtige complexe structuur, het is alsof je de bomen rondom in één keer kan aanschouwen, de bomen zijn van een hogere dimensionale vorm, niet te begrijpen met een geest die altijd in de bekende drie - dimensionale wereld heeft vertoefd. Hij kijkt met een extreem heldere blik door het bos, de kleuren zijn onbeschrijflijk mooi verzadigd en toch ook transparant, het ruikt er naar vruchtbare bosgrond, de geur roept herinneringen op aan zijn jeugd, tussen de bomen staat en oude vrouw met bijna wit haar, ze lacht en wuift naar Rolf, hij kijkt haar doordringend aan en met een schok beseft hij dat het zijn moeder is. “Ze is dood, ze is al 12 jaar dood! “ Rolf loopt tussen de bomen haar richting op, ze blijft hem lachend aankijken en strekt haar armen uit. Rolf pakt haar handen en omarmt haar, tranen stromen over zijn wangen, hij wordt opgetild en zachtjes heen en weer gewiegd “klein, klein kleutertje wat doe je in mijn hof, je plukt hier alle bloempjes kaal, je maakt het veel te grof, oh mijn lieve mamaatje, zeg het niet tegen papaatje, ik zal zoet naar school toe gaan en de bloemetjes laten staan” ze zingen het samen, Rolf wrijft met zijn kleine knuistjes de tranen uit zijn ogen, hij ligt in de armen van zijn moeder, hij is weer klein, zijn moeder kijkt hem aan en streelt hem door zijn blonde haren ”stil maar, ga maar slapen” Rolf legt zijn hoofd tegen haar boezem en doet zijn ogen dicht, hij doet zijn ogen weer open en beseft opeens dat hier iets niet klopt, hij wringt zich uit haar armen en laat zich op de grond zakken, zijn moeder vraagt “wil je in het bos spelen?” Rolf knippert met zijn ogen en zegt “waar zijn we dan? ben jij wel echt? “ zijn moeder begint te lachen “wat stel jij toch altijd gekke vragen, natuurlijk ben ik echt en we zijn in het bos, dat zie je toch? , nu vooruit ga maar spelen, maar niet te ver weg hoor, anders verdwaal je” Rolf kijkt haar met open mond aan en loopt een stukje bij haar vandaan, opeens merkt hij dat hij weer een volwassen lengte heeft, zijn kinderlichaam voelt hij niet, zijn volwassen lichaam wel, de moeheid van jaren zit in zijn botten en spieren, hij beseft dat kinderen die ballast nog niet hebben. Zijn moeder is verdwenen en Rolf loopt nog wat afwezig door het bos tot zijn oog valt op een soort licht, ver weg tussen de bomen, hij wenst dat hij daar is en het gebeurt ook. Een kakofonie van kleur en licht, de illusie die droom heet, is nu zijn wereld, in de kleuren die als zeepbellen om hem heen zweven ziet hij de astrale lichamen van de dromers, dit zijn de dromers die uitgetreden zijn, dit te weten is voor Rolf op dat moment een vanzelfsprekendheid. Niet alle dromers treden uit, deze categorie is te herkennen aan slechts een schaduw van het astrale lichaam, ze verplaatsen zich niet. Alsof hij weet wat hij doet gaat hij met een heldere flits een droombel binnen en staat oog in oog met een man die angstig achteruit deinst, de geest van de man is een open boek voor Rolf, hij heet Robert Bergman en woont in de eerste Jan Steenstraat 13. Rolf laat de man achter en verdeelt zich zelf in oneindig veel delen over de droomwereld, om vervolgens weer één te worden, dicht bij Lisa. Lisa droomt hem, ze houden elkaar vast in een wazige groene wereld, hij neemt voorzichtig haar illusie aan en fluistert in haar oor “ik hou van je” ze omarmen elkaar nog steviger en vrijen eeuwen lang, hij fluistert: “Morgen ga je naar Robert Bergman 1e Jan Steenstraat 13” Lisa kijkt Rolf gelukzalig aan haar ogen glinsteren als kristal, haar huid is zacht en lijkt van licht, ze fluistert “Wat? Oh Rolf dit is zo echt, is dit echt?” Rolf streelt door haar rode haar en zegt zachtjes “wat is echt?” Ze dreigt haar droom te verliezen en net op tijd verdwijnt hij uit haar illusie. Lisa is wakker. Ze draait zich om en zet de wekkerradio uit. Haar ogen staren naar het plafond, ‘mijn God wat een droom, ik heb nog nooit zo echt gedroomd, zo echt.’ De tranen staan in haar ogen, ze komt langzaam overeind en loopt verdoofd naar de badkamer. Onder de douche denkt ze aan vannacht, aan Rolf, aan de omhelzing, het vrijen, zo echt zo intens, ze denkt aan het gefluister van Rolf in haar oor Robert Bergman 1e Jan Steenstraat 13 … met een ruk draait ze de douche dicht, ‘Robert Bergman??, hoe kom ik nou op die naam? wat raar!.’ Ze droogt haar rode haardos, maakt zich op en trekt een spijkerbroek en T- shirt aan, de kamer is een rommeltje en terwijl ze de kamer doorloopt, pakt ze links en rechts wat tijdschriften, glazen en kledingstukken mee die ze voorlopig even een beetje uit het zicht legt. Ze toetst het nummer van Pieter op de net-phone, het scherm licht op en ze ziet dat er e-mail is verzonden door het VU ziekenhuis, ze onderbreekt de verbinding met Pieter en opent het bericht “Goede morgen mevr. Van der Moolen, Uw man heeft gisteren ca. 2 minuten hersenactiviteit gehad, zou u zo spoedig mogelijk willen komen? Vriendelijke groeten Prof. Dr. Pauwels.” Lisa rent door de kamer, pakt haar tas, haar jasje en haar sleutels, doet de deur open en rent de trap af. Buiten houdt ze een taxi aan en binnen een kwartier staat ze oog in oog met dokter Pauwels. ‘Tja, het is wel wat vreemd, maar het was onmiskenbaar een activiteit van de hersenen, geen storing of een toevalligheid, maar een duidelijk patroon, wat wees op een droomtoestand.’ ‘Betekent dit dat Rolf weer bij zou kunnen komen?’ Pauwels legt zijn hand op de schouder van Lisa, kijkt haar meevoelend aan en zegt ‘laten we niet op de zaak vooruitlopen en zeker geen hoop kweken, maar laat ik het zo zeggen, de kans om bij te komen uit deze coma was eerst nihil, nu is die kans niet meer nihil, nog steeds klein maar niet meer kansloos.’ Lisa kan haar tranen niet meer bedwingen, ze klimmen over de rand van haar oogkassen en laten zich in volle glorie naar beneden vallen. De arts laat haar even tegen zijn schouder uithuilen en streelt geruststellend haar hoofd, ze lopen samen naar de koffiehoek waar hij twee kopjes koffie bestelt. Pauwels gaat tegenover haar zitten, wacht tot de koffie wordt gebracht en zegt: ’ nog even een klein vraagje mevrouw van der Moolen, komt u de naam Monica Wong bekend voor?’ Lisa kijkt op schudt langzaam haar hoofd ‘nee ik geloof niet dat ik die naam eerder gehoord heb, hoezo?’ ‘Tja, er was hier een dame genaamd Monica Wong op bezoek bij uw man, precies tijdens het moment van zijn hersenactiviteit’ hij pauzeert even en gaat verder ‘we vonden haar op de grond in de kamer van uw man, ze was flauwgevallen, toen we haar bijbrachten, beweerde ze dat ze uw man niet kende, ze kwam nogal verward over, ze heeft klaarblijkelijk over zijn voorhoofd gestreken, want de lipstick die u op zijn voorhoofd heeft achtergelaten, zat voor een gedeelte op haar hand, ze wist niet wat ze hier deed, ze is opgestaan en weggelopen, we wilden haar nog van alles vragen maar ze liep verder en stapte in de lift.’ Lisa kijkt de arts met gefronste wenkbrauwen aan ‘maar dat is heel vreemd, waarom gaat ze op bezoek als ze beweert hem niet te kennen? , heel eigenaardig!’ De arts knikt ‘het is jammer dat u haar niet kent, want ze zou waardevolle informatie kunnen vestrekken over de toestand van uw man, ze was n.l. zoals ik al zei bij hem toen die activiteit plaatsvond.’ ‘Ik ga er achteraan, als dat zo waardevol is, zal ik haar vinden, kan ik meteen eens vragen hoe dat nu eigenlijk zit met dat bezoek’ De arts staat op ‘prima! Eh. . u redt het verder wel hé? Ik ga weer aan het werk, u weet waar u mij kunt vinden.’ Dr. Pauwels draait zich om en loopt met lange stappen door de diffuus verlichte gang van de afdeling, Lisa kijkt hem na tot hij een kamer binnen gaat, de gang is leeg, ze haat die gang, waar ze al zo vaak doorheen heeft moeten lopen, het is een steriele gang zonder warmte of persoonlijkheid. Ze drinkt haar koffie op en ziet dat de arts zijn kopje koffie heeft laten staan, ze jat het koekje van zijn schoteltje en verlaat het ziekenhuis. De bus staat op de halte en ze rent voor haar leven om hem te halen, net voor de bus optrekt weet ze naar binnen te springen, een half uur later staat ze weer in haar kamer die ze zo kort geleden haastig verlaten had, maar nu met meer hoop en meer vragen in haar hoofd. Lisa toetst het nummer van Pieter in, het scherm licht op en ze gaat met haar hand over het vidicom symbool, na enige tijd verschijnt het gezicht van Pieter ‘hallo Lisa hoe is het?’. Lisa lacht met een zuur grijnsje en vertelt het hele verhaal van droom tot ziekenhuis. Pieter leunt achterover in zijn stoel een verbaasde frons tekent zijn voorhoofd, Lisa stopt met praten er is even een stilte, Pieter schraapt zijn keel en zegt: ‘Lisa ik ga je helpen die Monica te zoeken ik voel dat er een verband is tussen die Monica en die ervaring die ik had met Arnold Sweers’ ‘Hoe bedoel je?’ ‘Nou ik bedoel dat. . of laat ik het zo zeggen, misschien heeft die Arnold en Monica wel een zelfde soort connectie met Rolf, ja ik weet ook niet precies hoe ik het moet zeggen, maar je moet toch toegeven dat er de afgelopen dagen vreemde dingen zijn gebeurd rondom Rolf.’ Lisa kijkt Pieter streng aan ‘wat wil je nu eigenlijk zeggen?’ ‘Oké, een theorie, stel dat wat Arnold zegt allemaal klopt, dan is het mogelijk dat Rolf ook Monica gebruikt heeft, ik weet dat het onzinnig klinkt, maar daarom is het ook een theorie.’ ‘Ja maar Pieter, ze zeggen dat die vrouw Rolf helemaal niet kent!’ Pieter knikt langzaam en lacht er een beetje geheimzinnig bij ‘maar misschien kent Rolf Monica wel!’ Lisa schudt haar hoofd ‘nee nee nee Pieter daar ga ik niet in mee, het is gewoon te absurd voor woorden, je bedoelt dat Rolf ook in die Monica zat, geestelijk dan natuurlijk. . hoop ik’ Pieter schiet in de lach en zegt: ‘ik zie dat je aan geestelijke penetratie de voorkeur geeft, dus laten we het uit gaan zoeken.’ ‘Goed Pieter, waarom niet, we moeten alles in het werk stellen om haar te vinden, ik ga meteen het web op’ ‘Prima, dan ga ik eens even kijken of Arnold Sweers misschien een e-mail adres op zijn werk heeft, overdag is hij in ieder geval nooit thuis, we houden contact!’ Het scherm wordt donker, Lisa typt in de zoekmachine de naam Monica Wong in, na enkele seconden komt er een lijst met drie dezelfde namen op het scherm, waarvan één naam uit Amsterdam, ze selecteert die naam en de homepage van Monica verschijnt op het scherm “MONICA WONG virtual reality development study’s “ onderaan vindt ze het e-mail adres en begint te typen: “Hallo Monica, Mijn naam is Lisa van der Moolen, je hebt een bezoek aan mijn man gebracht in het VU ziekenhuis, dit terwijl je mijn man niet kent, ik heb begrepen dat je nogal in de war was. Het is voor jou en voor mij van groot belang dat we elkaar spreken, ik stel voor vanmiddag halfvier in het American, ik zit aan het raam en heb rood haar. Ik hoop dat je komt, als je niet kunt bel me dan, mijn mobile nummer is 0606555567612, of laat een sms achter, hopelijk tot gauw. Lisa.” Ze verzendt het bericht en gaat languit op de bank liggen, ze graait naar de afstandsbediening en vraagt Joe Cocker aan ‘with a little help from my friends’. Pieter staart intussen afwachtend naar het scherm, hij heeft het e-mail adres vrij snel gevonden, na 5 minuten wachten verschijnt het gezicht van Arnold Sweers op het scherm, zijn gezicht is het karikatuur van een vraagteken. Het gezicht zegt: ‘Iemand die zo een e-mail stuurt wil ik wel eens face to face zien!’ Pieter glimlacht ‘Je herkent me niet?’ Arnold schudt ontkennend zijn hoofd ‘Hoe kunt u weten dat ik een dag uit mijn leven mis? Wat is hier aan de hand?’ Pieter haalt diep adem en zegt: ‘dat kunnen we beter ergens anders dan op het net bespreken, we moeten elkaar ontmoeten, zegt u maar wanneer het u schikt’ Arnold kijkt Pieter wantrouwend aan ‘waarom denkt u dat ik u zou willen ontmoeten?’ Pieter buigt naar voren en zegt ‘Omdat u nieuwsgierig bent, omdat u wil weten wat u die dag gedaan heeft en waarom u zich niets van die dag kunt herinneren’ Arnold kan niet anders dan toegeven dat dit inderdaad een reden is om hem te ontmoeten en stelt voor om dat diezelfde avond nog te doen om 8 uur in grand café De Kroon op het Rembrandtsplein. Het scherm is gedoofd, maar floept meteen daarna weer aan met de tekst “Lisa vidicom” Pieter raakt de tekst vluchtig met zijn hand aan en het opgewonden gezicht van Lisa verschijnt in beeld, ze vertelt over de e-mail naar Monica en Pieter doet zijn verhaal over Arnold, ze besluiten samen naar American te gaan en daarna naar De Kroon. Het is half vier, Lisa zit in American, Pieter staat in de hal, het is beter dat ze niet met z’n tweeën Monica overvallen met hun vragen, Lisa zal in de loop van het gesprek Pieter introduceren, dat is het plan. Lisa kijkt op haar horloge, tien over halfvier, geen Monica, ze wordt ongeduldig en schuifelt ritmisch met haar voeten over de grond. Ze staart naar buiten, plotseling wordt ze opgeschrikt door een zachte vrouwenstem ‘Lisa?’ Ze draait haar hoofd om en kijkt in het gezicht van een oosterse vrouw, ze heeft een zwart leren jack aan, een rood fluwelen strakke broek en halfhoge laarsjes ‘ze ziet er mooi uit’ denkt Lisa. ‘Ik neem aan dat jij Monica bent?’ Monica knikt en gaat zijdelings op een stoel zitten alsof ze zo weer weg wil, ze houdt haar jas aan en har tas in haar hand. Lisa biedt haar iets te drinken aan. Monica maakt een afwerend gebaar en zegt: ‘Nou daar wacht ik even mee, ik wil eerst wel eens weten wat dit allemaal te betekenen heeft’ ‘Goed dan, vertel jij me eens waarom je in het ziekenhuis was?’ Monica kijkt Lisa aan en zegt: ‘eerlijk gezegd weet ik dat niet, ik was daar ineens, ik ben gewoon een halve dag kwijt’ Lisa schokte met haar lichaam van deze uitspraak en herinnerde zich wat Pieter over Arnold verteld had. ‘je bedoelt dat je helemaal niets meer weet? vanaf wanneer dan?’ ‘Hm, eh. . eigenlijk vanaf gisteravond, ik ging naar bed en werd wakker in het ziekenhuis, ik zat op een stoel en er stond allemaal verplegend personeel om me heen, die me absurde vragen stelden. Ik ben weggelopen en naar huis gegaan.’ ‘Kun je je mijn man herinneren, daar in het ziekenhuis, heb je hem zien bewegen of zo?’ Monica wordt geïrriteerd ‘nee ik weet niets van uw man, er lag daar een man in bed en die sliep dacht ik, ik ken die man niet! ‘ Monica begint zenuwachtig in haar tas naar sigaretten te zoeken en steekt er trillend één op. Lisa kijkt haar schuin aan en zegt: ‘vindt u het goed dat ik er een vriend van mij bijhaal?’ Monica haalt haar schouders op en maakt een gebaar met haar hand, waaruit Lisa kon opmaken, dat het haar om het even is. Lisa wuift naar Pieter, die op een afstand het schouwspel heeft gadegeslagen. Pieter stelt zich voor en gaat zitten, intussen trekt Monica haar jas uit en zegt: ‘een rode port dan maar.’ Pieter roept de ober en bestelt een Campari Jus, een rode Port en een biertje. Pieter wordt even ingelicht over wat besproken is waarop Pieter aan Monica vraagt: ‘is er verder nog iets, wat u als vreemd voorkomt, iets wat u niet kan verklaren?’ Monica kijkt Pieter aan, ze neemt een slok van de Port die net geserveerd wordt, slaakt een diepe zucht en zegt: ‘Ja. . de kleren die ik aan had, die combinatie zou ik nooit dragen en ik had mijn gezicht heel vreemd opgemaakt, mijn ogen zagen er niet uit, alsof een ander mijn gezicht had opgemaakt, ik werd bang van dat idee. En verder blijkt dat ik ben opgehaald door mijn compagnon, om naar een belangrijke, voor mij zeer belangrijke presentatie van mijn nieuwste VR project in het WTC te gaan, alwaar ik volgens zijn zeggen naar het toilet ging om daarna zomaar te verdwijnen, hij vond mij nogal vreemd reageren, alsof ik niet mezelf was. Ik kan me daar niets van herinneren, dus u begrijpt dat ik langzaam het gevoel krijg gek te worden.’ Pieter neemt een slok van zijn bier en kijkt Lisa veelbetekenend aan. Monica ontgaat die blikwisseling niet ‘mag ik misschien weten wat hier gaande is?’ Lisa legt haar hand op de hand van Monica en legt uit dat zij het zelf ook niet echt weten, maar dat er de laatste tijd vreemde dingen gebeurd zijn rond om Rolf die in coma ligt, Pieter vult aan wat zijn ervaring met Arnold is en oppert voorzichtig dat dit ook met haar het geval zou kunnen zijn. Vervolgens zegt Pieter: ‘maar nogmaals, het is maar een theorie, misschien wel de meest absurde theorie ooit verkondigt, maar iets anders kan ik niet bedenken.’ Monica kijkt peinzend naar haar glas, er valt een stilte. Monica haalt diep adem en zegt: ‘stel dat het zo is als u zegt, wat kan ik dan doen? Er is een halve dag verdwenen, kan dit weer gebeuren? Ik weet niet of ik dit leuk vind, ik wordt er erg nerveus van en ik wil hier eigenlijk niets mee te maken hebben. Ik zal zorgen dat ik niet meer alleen thuis ben, ik voel me niet meer veilig.’ Ze staat op trekt haar jas aan en neemt de laatste slok van haar Port ‘Het spijt me vreselijk voor uw man, maar ik kan u niet helpen, laat u mij alstublieft met rust, ik wil niets met deze hocus- pocus te maken hebben, goedemiddag.’ Monica draait zich om en loopt zonder omkijken American uit. Pieter en Lisa kijken elkaar hulpeloos aan en zien hoe Monica buiten een taxi aanhoudt, voordat ze instapt werpt ze nog een vluchtige blik naar het raam waar Pieter en Lisa naar buiten kijken, de blikken bevriezen even en dan trekt Monica het portier dicht, de taxi trekt op en verdwijnt uit het zicht. Diezelfde avond vertelt Arnold zijn verhaal aan Lisa en Pieter, hij is journalist en hij vertelt over de woede van de hoofdredacteur van het Parool, dat hij hem heeft laten zitten, geen kopij ingeleverd, geen telefoontje of e-mail dat hij ziek was, onverantwoordelijk gedrag, wat niet getolereerd kan worden. Hij heeft hem weten te overtuigen dat hij zelf echt niet wist waar die dag gebleven was, dat hij altijd liet weten als er iets tussen kwam, dat dit niet bij zijn manier van werken paste, de hoofdredacteur moest toegeven dat dit gedrag niet bij Arnold hoorde en adviseerde hem om naar de dokter te gaan voor een neurologisch onderzoek. Hij vertelt dat hij tot zijn verbazing een rekening betaald had bij restaurant Plaka en begon toen ernstig te twijfelen aan zijn verstand. Pieter heeft hem het geld van de restaurant rekening teruggegeven en ook zijn theorie over het gebeurde aan Arnold voorgelegd. In eerste instantie reageerde Arnold sceptisch, maar in de loop van de avond, voelde Arnold steeds meer voor die theorie, misschien was dit wel een goed verhaal voor de krant, als het zo inderdaad mocht zijn zou dit een primeur van de hoogste orde zijn, maar er moesten bewijzen komen. Arnold wilde omdat hijzelf min of meer slachtoffer was van alle ontwikkelingen op de hoogte gehouden worden, hij zou alleen zijn hoofdredacteur in vertrouwen nemen, waarbij hij de hulp van zowel Lisa als Pieter nodig zal hebben om zijn baas te overtuigen van deze wel zeer vreemde theorie. Pieter opperde nog dat Arnold als hij thuis kwam, even naar de verzonden e-mail moest kijken, ‘ je zal dan zien dat je een e-mail naar Lisa verzonden hebt, of althans niet jij maar Rolf!’ Arnold was opgewonden en nam afscheid en liet Pieter en Lisa achter aan een tafeltje met lege glazen en flessen. ‘Nou wat vond je er van?’ vroeg Pieter terwijl hij de laatste druppel wijn uit een fles in zijn glas liet vallen. Lisa kijkt hem met half gesloten ogen aan en luistert rozig naar het orkest wat op de achtergrond deuntjes uit de jaren dertig ten gehore brengt. Pieter strijkt met zijn vingers door zijn haar en duwt zijn bril wat hoger op zijn neus, hij steunt met zijn ellebogen op het ronde tafeltje en laat zijn vermoeide hoofd in zijn handen rusten. Lisa kijkt alleen maar en zegt: ‘vermoeiend hé?’ Pieter knikt, zijn ogen draaien naar de klok boven de bar, tien over één. ‘Ik ga naar huis’ gaapt Pieter ‘Ik ook ‘ Lisa begint mee te gapen. Ze staan op rekenen af en gaan het bruisende Rembrandtsplein op, ze lopen door de stad naar huis, bij de woning van Lisa krijgt Pieter een zoen ‘bedankt, dat je je tijd er in stopt, welterusten’ Pieter haalt zijn schouders op en zegt: ‘ ik kan niet anders, Rolf heeft me uitgedaagd! , oh ja we moeten dat adres uit je droom, je weet wel, de Jan Steenstraat nog even checken, zullen we daar morgen naar toe gaan? Lisa staat in de deuropening te gapen en zegt bijna onverstaanbaar: ‘bel me morgen maar op, niet te vroeg, ik moet slapen, lang slapen’ Ze draait zich om en trekt de deur dicht, Pieter stopt zijn handen in zijn zakken en slentert de straat uit, zelfs zijn voetstappen klinken hem onecht in de oren, hij mompelt in zichzelf en wordt overrompeld door verwarring vermengd met euforie. Rolf ziet het astrale lichaam van Lisa in de stoffelijke vorm schieten, en blijft een beetje onthutst achter, de seks die hij net met haar had was extremer dan hij van haar gewend is, in haar droom was ze dominant, grover, ongeremd, gulziger. De gedachte aan sex met Lisa brengt Rolf bij zijn eigen beleving. Hij fronst zijn fijnstoffelijk voorhoofd, het was niet zozeer een lichamelijke beleving, er was een soort wisselwerking van extreem geluk en absolute verbondenheid, orgasme was er wel maar meer alsof het orgasme een prikkel was om hem te herinneren dat hij verbonden was met een lichaam, het was bijna een belemmering. Er is ook geen hoogtepunt waar je naar toe werkt, er zijn ontelbare hoogtepunten, in de vorm van totale overgave, je zelf verliezen in een draaikolk van warmte, kleur, vertrouwen en geluksbeleving. Rolf lacht opeens voluit en schreeuwt: ‘ik ben hysterisch gelukkig’ De oude monnik staat voor hem en zegt: ‘of ben je gelukkig hysterisch’ en de monnik schudt van het lachen. Rolf kijkt de monnik verbaasd aan ‘hoe bedoel je dat?’ ‘Ach, je zou kunnen zeggen, dat mensen die hysterisch reageren op iets wat ze prettig vinden, de vorm niet kunnen vinden om hun gevoel in te gieten, ze beleven een moment van volmaakt geluk, maar kunnen dat niet in hun drie dimensionale grofstoffelijke begrenzing uitdrukken en dan heet dat hysterisch, omdat het in deze wereld tot abnormale reacties leidt. Rolf grinnikt begrijpend. De monnik gaat verder ‘valt je iets op?’ Rolf kijkt de monnik aan ‘zoals wat, wat zou me moeten opvallen’ de monnik zwijgt, Rolf kijkt de monnik vragend aan en haalt zijn schouders op. Plotseling weet hij wat de monnik bedoelt, er is niets, alleen hij en de monnik zijn er, meer niet, voor de rest pure leegte. De leegte heeft geen kleur, is niet zwart, is onbegrensd, de leegte is niet te zien of te voelen, de leegte is niet diep of wijds, er is zelfs geen leegte omdat leegte niets is, dus als het niets is kan het niet zijn. Rolf ziet zichzelf niet meer zijn wenslichaam is weg, ook de monnik is weg. Hij is alles en oneindig verdeeld, vanuit alle kanten komt er licht op hem af en in een flits bevindt hij zich weer in de droomwerelden met hun merkwaardige gekleurde bellen, elke bel heeft een existentiële waarde voor het astrale lichaam wat zich daarin bevindt, het is werkelijkheid geworden, schepping van fijnstoffelijke waarschijnlijkheden. Rolf zit weer in zijn wenslichaam, hij weet nu wat pure leegte is ‘ik had geen ego meer, ik had geen lichaam meer, ik was onbegrensd, zonder kleur, zonder denken, ik was alles, de gehechtheid aan mijn lichaam was verdwenen’ Rolf merkt dat de contouren van zijn wenslichaam fluctueren, de omtrekken zijn onduidelijk geworden het lijkt steeds meer op een eivormige energiebal. Dan slaat de angst hem in zijn keel en schreeuwt ‘nee ik wil niet dood, ik wil mijn lichaam terug ‘ hij hijgt met korte stoten en huilt als een kind. Hij zit gehurkt op het warme strand, zijn moeder buigt zich over hem heen, Rolf voelt haar hand over zijn hoofd strelen ‘Ik ben hier, je kon me niet meer vinden hé? Kom, wil je een waterijsje?’ Rolf kijkt op en tegen de achtergrond van een wolkeloze blauwe lucht ziet hij het gezicht van zijn jonge moeder. ‘een waterijsje?’ hoort Rolf zichzelf zeggen. ‘het klopt weer niet, ik moet hier uit zien te komen’ Het gezicht van zijn moeder schiet plotseling met duizelingwekkende snelheid de wolkeloze hemel in en wordt kleiner en kleiner, Rolf kan haar gezicht nog steeds in alle details waarnemen, ook al is het nu zo klein als een quantumdeeltje. Hij knippert met zijn ogen en bevindt zich in een tropisch woud, er zijn diepe dalen met grote varens, van regen druipende palm en bananenbladeren, witte lelies in een meer waar talloze kleine watervallen op uitkomen, zilveren stroompjes uit met mos begroeide rotsen, er hangt een damp van vruchtbaarheid en leven. De zon werpt zijn stralen bundel door de vochtige atmosfeer, waardoor er een prachtige regenboog ontstaat. Rolf snuift de boslucht op en voelt zich erg op zijn gemak. Hij zit op een platte steen met zijn blote voeten in weelderig geurend gras en voelt zich één met deze illusie. Voor zich ziet hij de lucht bewegen alsof het de oppervlakte van water is, hij staat op een gaat er voorzichtig op af, nu rimpelt de lucht weer, hij staat er vlak voor, Er is een duidelijke beweging alsof er een stuk dun doorzichtig folie gespannen is, hij beweegt zijn vinger voorzichtig naar het wonderlijke verschijnsel, als zijn vinger het schijnbare oppervlak raakt, ontstaat er een cirkelvormig golfje, net als bij water, zijn vinger gaat verder en verdwijnt, met een ruk trekt hij zijn hand terug en blijft verbaasd staan kijken ‘is dit mijn illusie of is dit nu wel echt?’ De nieuwsgierigheid wint het van de angst en hij steekt weer zijn hand uit, zijn hand verdwijnt, hij trekt zijn hand weer langzaam terug, er is niets mee gebeurd, hij doet zijn ogen dicht en buigt zijn hoofd naar voren, hij beweegt zijn hoofd centimeter voor centimeter voorzichtig door het vreemde oppervlak, hij opent zijn ogen, de adem stokt in zijn keel. Chaos! Krankzinnige mensen, soms gedeelten van mensen, zwevende hoofden, die vreemd lachen of vreselijk klagen, oorverdovend geschreeuw, als gekken heen en weer schietende astrale lichamen of doodsbang in een hoekje verscholen wezens, de ruimte lijkt begrensd door iets, maar het was onduidelijk door wat. De hel van Dante. Hij trekt zijn hoofd terug ‘is dit de hel? Bestaat de hel?’ Weer gaat hij met zijn hoofd naar binnen en het zelfde beeld speelt zich voor zijn ogen af. ‘Dit is de illusie van de onwetenden’ hoort hij een stem achter hem zeggen, hij trekt weer zijn hoofd terug en ziet de monnik op zijn platte steen zitten. ‘zij die dood zijn maar het nog niet weten of nog niet willen weten’ ‘En wat gebeurt er dan verder?’ ‘Niets . . . totdat ze weten, niets staat vast niets duurt eeuwig, er is hier geen tijd, de tijd die de onwetenden ervaren is de tijd van het stoffelijke, daar waar ze aan gehecht zijn en datgene waar ze geen afstand van willen of kunnen doen.’ Rolf loopt naar de monnik en vraagt: ‘en wat moet ik hier mee?’ De monnik kijkt Rolf schuin aan ’ dat weet jij het beste, jij kunt in die wereld kijken, ik niet’ ‘Hoe weet jij dan wat ik daar zie? Rolf schuifelt verder naar de monnik, de monnik antwoordt:’ dat vertel je me, of. . hoe zal ik het zeggen, je brengt een soort verslag van wat je ziet, zeg maar in de vorm van een droom, die droom, droom ik met je mee, maar jij neemt het initiatief, ik rij alleen maar mee.’ Oh. . ,en nu zou ik het moeten snappen? De monnik haalt zijn schouders op. ‘Waarom moet ik dit allemaal meemaken? Wat is het nut? Of ben ik gewoon aan het ijlen in mijn coma? Ben ik misschien gewoon al dood?’ De monnik grijnst ‘dit zijn retorische vragen, je weet dat, als je goed luistert naar jezelf, vind je de antwoorden.’ De monnik verdwijnt en Rolf blijft verward achter in het golvende bos. Rolf kijkt om zich heen en voelt zich éénzaam ‘ik moet hier weg, ik moet weer een lichaam vinden’ zijn gedachten klinken absurd ‘een lichaam vinden, het lijkt wel een goedkope horrorfilm!’ dan komt bij hem de naam Robert Bergman bovenborrelen, hij wordt op het zelfde moment met enorme snelheid uit het imaginaire bos gerukt en dringt opnieuw een droombel binnen, de dromer schrikt nogmaals van de verschijning van Rolf maar Rolf schiet in een oneindig kort moment via de twinkelende en fluctuerende verbinding het stoffelijke lichaam van Robert in, hij verdrijft de geest zonder respect, in de verste plek van het brein, Rolf voelt opeens schaamte, zo ongegeneerd was hij nog nooit geweest, hij treedt de ethiek werkelijk met voeten, hij laat de geest van Robert wat meer vrijheid en probeert het als het ware weer goed te maken, gevoelens van spijt strelen nu de geest van Robert, plotseling voelt Rolf dat hij terug gedrukt wordt, hij laat zijn excuses voor wat ze zijn en neemt met enorme inspanning het lichaam weer over, hij merkt dat hij sterker is geworden, normaal zou hij in tweede instantie verliezen van de oorspronkelijke geest en uit het lichaam gestoten worden. Hij wordt bezweet wakker, alsof hij uit een nachtmerrie ontwaakt, hij knippert met zijn ogen en richt zich voorzicht op. De kamer is langwerpig, er staat een grote ficus voor het raam, de groene vloerbedekking is bezaaid met wijnvlekken, een half glas wijn, uitgedroogde camembert en een volle asbak sieren het vettige glas van het lage tafeltje, wat schuin voor een enorme bont gekleurde bank staat. Voor de TV liggen een krant en een Tv-gids, op de bont gekleurde bank ligt een kat te slapen met zijn pootjes op een opengeslagen pornoblaadje waarin een mysterieuze donkerharige vrouw hem gulzig aanstaart. Het plafond bladdert, en de muren zijn grof gestuukt en slordig geschilderd, smaakloze schilderijtjes doen een mislukte poging een persoonlijke touch in de woning aan te brengen. Op de houten eettafel voor het andere raam, staat een vaas uitgedroogde bloemen, Rolf meent het oude bloemen water van afstand te kunnen ruiken. Hij staat op en kijkt naar de kleren die op de grond liggen, hij stapt er overheen en loopt naar de enige kast in het huis, hij doet de deur open en zoekt in de chaos die hij daar aantreft naar een schone broek en een overhemd, in de la vindt hij een nieuw paar sokken en drie onderbroeken voor een tientje, hij knikt tevreden en kleedt zich aan. Bij de bank aangekomen laat hij zich in de zachte kussens zakken, de kat slaapt nog steeds en voorzichtig aait Rolf het beestje, de kat wordt wakker en strekt zich gapend uit, dan een haal en een snerpende krijs, de kat staat met hoge rug en dikke staart tegen de rugleuning van de bank geklemd. Hij wrijft over zijn pijnlijke hand en kijkt verschrikt naar de bange kat, hij staat voorzichtig op en als Rolf een eindje van de bank is af gaan staan, schiet de kat met hoge snelheid het gangetje in en laat het geluid van een uitzwaaiend kattenluikje achter zich. ‘Vreemde reactie van die kat, ik hou van katten en katten houden van mij, zou die kat gemerkt hebben dat ik Rolf ben i.p.v Robert?’ Hij loopt peinzend heen en weer ‘misschien is het inderdaad zo dat beesten in het algemeen meer van het bovennatuurlijke waarnemen als mensen?’ Hij gaat weer op de bank zitten en staart door het raam naar buiten. De zon werpt zijn stralen door het opdwarrelende stof en speelt met de deeltjes die schijnbaar willekeurig op en neer dansen. Rolf kijkt er met samengeknepen ogen naar en probeert in de beweging van de stofdeeltjes een samenhang te ontdekken. ‘Fijnstoffelijk’ zegt hij hardop, zijn gedachten zijn ook fijnstoffelijk, zijn dromen en uittredingen en al die wonderlijke ervaringen die hij steeds maar heeft zijn ook fijnstoffelijk. Het is inderdaad zoiets als de stof hier in deze kamer, je wordt het pas gewaar als de zon erdoorheen schijnt, normaal gesproken kijk je dwars door de stofdeeltjes heen. Ze zijn er wel maar je ziet ze niet! Rolf rekt zich uit en gaapt langdurig, hij kijkt op een smoezelige wekkertje en ziet dat het 10 uur is. Hij staat op en loopt naar het raam, door het doffe glas kijkt hij de straat in, een paar fietsers een auto en een paar spelende kinderen. Geen Lisa, hij krabt zich op zijn hoofd. Aan de overkant hangt de buurvrouw uit het raam, zo’n dikke met een bloemetjes jurk en een uitgegroeid permanent, vrouwen die alles over iedereen weten, die poeslief zijn als ze je zien zitten, of je helemaal verrot schelden als je niet in hun straatje past. Ze zwaait en roept met een schelle stem: ‘Nu pas wakker buman?’ Rolf knikt verlegen lachend en wendt zijn hoofd af om te voorkomen dat hij in een “niet” gesprek verstrikt raakt. Hij trekt quasi nonchalant de gordijnen wat rechter, draait zich om en loopt bij het raam weg. Rolf begint onrustig te worden ‘wanneer zal Lisa komen en komt ze wel? Misschien denkt ze wel “ach het was maar een droom” moet ik hier de hele tijd binnen zitten wachten, ik kan moeilijk even een blokje om gaan, stel je voor dat Lisa dan net komt’ Hij loopt naar de boekenkast en houdt zijn hoofd schuin om de titels te kunnen lezen ‘wat een shit leest die man en Rolf pakt een boek met de titel ‘morgen zien we verder’ de voorkant van het boek bestaat uit een vreselijke tekening van een vrouw die diep bedroefd een bloem vast houdt er rolt een traan over haar linker wang, de achtergrond bestaat uit vage diagonale lijnen groen. Rolf staart naar de kaft en merkt dat hij zijn ogen niet meer kan afwenden, de traan op de wang van de getekende vrouw begint naar beneden te rollen, de groene lijnen en vlakken op de achtergrond wisselen schokkerig van plaats als bij een tekenfilm. Rolf wordt naar binnen gezogen en bevindt zich plotseling op de grond, een grond die getekend wordt, steeds weer opnieuw en steeds weer iets anders van kleur of pennenstreek. Rolf kijkt naar zijn hand die op de getekende vloer rust, ook zijn hand is getekend en verandert voortdurend van vorm. De angst slaat hem om zijn hart en op dat moment staat hij weer in de kamer en laat het boek met een schreeuw vallen. Met een kloppend hart staart hij naar het boek op de grond ‘wat is dit nu weer!’ hij kijkt weer naar zijn hand, hij ziet er normaal uit ‘mijn God ik geloof dat ik zo langzaam aan echt paranoia aan het worden ben’ Rolf bukt pakt het boek en zet het zonder er naar te kijken weer in de boekenkast terug. Zijn oog valt op een muziek installatie, er naast staan wat minidiskjes, op een van de doosjes staat Miles Davis geschreven ‘zijn muzieksmaak is een stuk beter’ mompelt hij en zet de muziek op. Hij gaat zitten en laat de aarzelende trompettonen van Miles zijn oor strelen. ‘Goeiemorgen Nederland, dit is lekker beuken op de vroege ochtend, we beginnen meteen maar met een gouwe ouwe. . .’ De vingers met de roodgelakte nagels zoeken naar de uitknop van de wekkerradio, de speaker zwijgt plotseling en Lisa trekt kreunend de dekens weer over haar hoofd. Het blijft een tijdje stil maar dan slaat ze de dekens weer met een ruk van zich af en stapt uit bed ‘de Jan Steenstraat!’ echoot het door haar hoofd. Ze springt uit bed en schiet de badkamer binnen, waar ze haar dagelijks ritueel snel afhandelt. Na een kwartier staat ze aangekleed en opgewonden voor het scherm, ze toetst Pieter in en een paar seconden later komt het gezicht van Pieter op het scherm ‘ik zat er al op te wachten, goeiemorgen!’ Lisa stond met haar handen op de tafel geleund en zei: ‘eerst gaan we eens uitzoeken of dat adres en die naam wel kloppen. ‘Heb ik gedaan, ze kloppen. . . .’ Lisa kijkt Pieter zonder iets te zeggen aan, Pieter zwijgt ook en na een tijdje zegt Lisa ‘goed, o.k. dat klopt dus, eh . . nou dan moeten we er maar naar toe, toch?’ Pieter knikt ‘ik ben over 10 minuten bij je’ Lisa schudt haar hoofd ‘nee, we zien elkaar in “het Ceintuurtje” , je weet wel onze stamkroeg van vroeger’. ‘Prima, tot zo’ het scherm wordt donker en Lisa trekt haar jas aan. Pieter en Lisa zitten voor het raam, het is er warm, de barkeeper zet twee geurende bakken koffie voor ze neer, Pieter rekt zich gapend uit en neemt voorzichtig een slok van het hete zwarte vocht. Lisa kijkt naar buiten en zegt zonder Pieter aan te kijken ‘ik ben zo zenuwachtig.’ Hij zet zijn koffie neer, pakt haar hand vast en knikt begrijpend. Ze drinken samen zwijgend hun koffie op, betalen en lopen naar buiten. Met kloppend hart komen ze dichter bij de Jan Steenstraat, ze gaan de hoek om en tellen de huisnummers af, Pieter wijst naar de overkant, een wit bordje met in zwarte cijfers nummer dertien er op, het ziet er dreigend uit. Ze kijken omhoog naar het raam waarachter zich een persoon zou moeten bevinden die Robert Bergman heet. Ze steken over en komen tot stilstand voor de deur, op het naamplaatje staat R.Bergman, Lisa ademt zwaar en houdt Pieter stevig bij zijn arm. Pieter drukt op de bel. Ze blijven met ingehouden adem staan wachten tot de deur open gaat, het lijkt heel lang te duren, maar dan de klik van het slot en de deur draait langzaam open. Er wordt een houten trap met een ouderwetse traploper zicht baar, ze stappen langzaam naar binnen en doen de deur zachtjes achter hen dicht, dan begint de zware beklimming naar boven. Rolf die opschrikt van de bel struikelt over een paar schoenen die in de kamer liggen, hij staat weer op en kijkt met zijn gezicht plat tegen het raam gedrukt naar beneden. Hij ziet niemand staan, hij zou het raam moeten openmaken anders lukt het niet. Hij loopt naar de deur en drukt op de deuropener. Met ingehouden adem blijft hij staan en tuurt het zwarte trapgat in, beneden hoort hij gefluister en treden kraken, het geluid komt gestaag dichterbij. Rolf begint te trillen, hij wordt misselijk en haalt een paar keer diep adem. De voetstappen zijn nu op de tweede verdieping, nog even en hij zal haar zien. Lisa komt als eerste de hoek om en kijkt met open mond naar boven, Rolf ziet haar en onderdrukt een kreet van emotie. “Lisa, Lisa, mijn God daar ben je, je bent gekomen!” Lisa blijft staan en draait haar hoofd om, Pieter staat achter haar “ga maar verder” spoort Pieter haar aan, ze neemt aarzelend de volgende treden en kijkt in het gezicht van een wild vreemde man die met tranen in zijn ogen haar naam lispelt. Boven aan de trap wil Rolf haar in zijn armen sluiten, maar Lisa weert zijn poging tot omhelzing met een handige beweging af. “sorry, ik kan natuurlijk niet van je verwachten dat je me herkent” stottert Rolf en maakt een uitnodigend gebaar naar beide om zijn woning te betreden. “Dit is een beetje vreemd, ik voel me niet erg op mijn gemak moet ik zeggen” Lisa slaakt na deze uitspraak een lange trillende zucht en gaat onvast op de bank af waar ze voorzichtig op gaat zitten. Pieter kijkt Rolf aan en Rolf geeft hem een knipoog “Ja Pieter je moet nu weer even aan mijn nieuwe verschijning wennen, ik zie er niet meer zo uit als onze vriend Arnold Sweers, dit keer is ’t het lichaam van Robert Bergman.” Pieter kijkt Lisa veel betekenend aan. Rolf gaat tegenover Lisa zitten en zegt; ”Je bent gekomen omdat ik je in je droom verteld heb dat je dat moest doen, weet je nog? We hebben zo heerlijk gevreeën, zo echt, weet je nog?” Lisa kijkt hem aan haar mond valt open, haar ogen worden vochtig “Rolf? Ben jij dat echt?” Rolf knikt en buigt naar voren “Hou me vast Lisa, ik wil je in het echt voelen, ik wil de fysieke warmte voelen, het is zo lang geleden” Lisa slaat aarzelend haar armen om hem heen, dan zing Rolf zachtjes in haar oor, een liedje waar niemand iets van weet, alleen bij haar en Rolf bekend, het is een kinderliedje, het voelt veilig en niemand hoeft te weten dat ze zo als kinderen met elkaar kunnen omgaan. Lisa begint zachtjes te huilen, schokkerig drukt ze hem tegen haar aan, ze blijven minuten lang zo in elkaar’ s armen zitten, Pieter loopt intussen door de kamer en blijft voor het raam staan om met lege ogen naar buiten te staren. De omstrengeling wordt langzaam verbroken en Pieter blijft met zijn handen op zijn rug naar buiten kijken. “Pieter” zegt de schorre stem van Lisa. Hij draait zich om en komt glimlachend naar haar toe lopen “ik denk dat je overtuigt bent hé?”. Lisa knikt en kijkt naar Rolf die met zijn handen in zijn gezicht wrijft. Pieter gaat zitten en zegt “okay, maar wat nu?” Rolf staat op en begint heen en weer te drentelen “we moeten iemand zien te vinden die hier verstand van heeft, een persoon die zich bezig houdt met paranormale toestanden, want dat is het waar ik me in bevind, ik kan helder denken, maar soms denk ik dat ik volslagen krankzinnig ben.” Lisa knipt in haar vingers “Doris. . . dat is het Doris is een oude vriendin van me, al een tijdje niet meer gezien, maar dat is gewoon tussen ons, ze is de dochter van Professor van Lente, een autoriteit op het gebied van godsdienstgeschiedenis en is onderzoeker van verschijningen en wonderen die met Godsdienst en/of sekten te maken hebben. Dit is de man die we moeten hebben. Kom we gaan naar Doris toe ze werkt in de Nieuwe Cosmos op de P H kade.” “Te gek, goed idee” Rolf trekt een jas aan en staat al bij de deur te wachten, Pieter grijnst tegen Rolf en ze rennen alle drie als joelende kinderen die de school verlaten de trap af. Rolf voelt sleutels in zijn jaszak en haalt ze er uit, er zit een autosleuteltje bij met een merkplaatje van VW er op, voor de deur staat een VW, hij probeert de sleutel in het slot en de deur gaat open, triomfantelijk kijkt hij Lisa en Pieter aan, ze stappen in. Na een kwartiertje parkeert Rolf de auto voor de deur van de nieuwe Cosmos en ze betreden het gebouw. De geur van wierook komt hen tegemoet, de trappen zijn van marmer met een zachtrode loper bedekt, de muren zijn roomkleurig en op de treden van de trap staan prachtige palmen. Ze lopen de trap op en komen in een groot zeghoekig vertrek met een prachtige plafondschildering, het is een hoog vertrek en rondom op 3 meter hoogte bevindt zich een soort balkon, met aan de muren uitgestrekte rijen boeken. De vloer is verdeeld in podia met verschillende kleuren tapijten en zachte kussens, in elke hoek staat een bordeuax-rood geschilderde luidsprekerzuil en in het midden onder het balkon hang een groot LCD scherm waar een aantal uit de zestiger jaren bekende uit elkaar spattende kankergezwellen de revue passeren. Uit de zes zuilen klinkt een zachte doorschijnende achtergrond muziek. Er hang een serene sfeer, er komt een dame op hen af die vriendelijk vraagt of ze kan helpen. Lisa vraagt naar Doris van Lente, het gezicht van de vrouw tovert een gulle lach rond haar mond en ze wijst naar één van de deuren onder het rondgaande balkon. Ze lopen op de deur af en Lisa klopt aan, een stem roept dat ze er aan komt, even later gaat de deur open en staat Doris met een verbaasd gezicht in de deuropening. “Lisa! Mijn God dat is een tijd geleden, wat doe je hier?” Lisa geeft Doris tijdens deze uitspraak twee zoenen en zegt: “We moeten even praten, het is nogal achterlijk wat ik ga vertellen” Ze gaan naar binnen en Lisa vertelt de hele geschiedenis, tijdens het verhaal kijkt Doris Rolf onderzoekend aan. Na afloop slaakt Doris een lange zucht en zegt: “Het is dat ik je goed ken Lisa, anders had ik je volkomen geschift verklaart, we krijgen hier wel eens meer van die lui die denken dat ze Jezus of Boeddha zijn, maar dit vraagt om onderzoek, ik ga meteen met jullie mee naar mijn vader, ik houd het vandaag voor gezien hier.” Doris heeft een opgewonden kleur op haar gezicht gekregen, ze doet de deur achter haar op slot en loopt naar de garderobe om haar jas te pakken. Het instituut waar Professor van Lente werkt bevindt zich in Utrecht, het is het voormalig instituut voor Parapsychologie en heeft de bijnaam “the magic cube”. Het is volledig gerenoveerd, in de vorm van 3 kubussen in elkaar gebouwd, voornamelijk bestaande uit glas, zodat de dramatische Hollandse luchten van alle kanten weerspiegeld worden. Ondanks de twijfelachtige reputatie van Professor Tenhaeff, hangt er een zeefdruk van hem in de hal. Doris gaat hen voor en wuift naar de receptioniste “Is papa er?” “In zijn kamer” roept de receptioniste terug en knikt vriendelijk naar de drie mensen die Doris braaf volgen. Ze lopen door een kronkelend gang, links is een collegezaal vol studenten, rechts een aantal kamers met computers en oude boeken, aan het eind van de gang is een deur met een poster van het Free Tibet Concert in 2004 vlak voor de overdracht van de Chinezen aan de Dalai Lama. Op het plaatje naast de deur staat “Prof. v Lente Sektenleer”. Doris duw de deur open en ze komen een zwak verlichte kamer binnen, het meubilair bestaat voornamelijk uit boekenkasten vol oude uit elkaar vallende boeken, een groot bureau met veel papier, een aantal beelden en attributen plus aan de muur voorstellingen uit verre en vreemde beschavingen, in de hoek staat een oude computer en een printer. De man achter het bureau kijkt over zijn bril naar de deur opening, zijn haar is vol en grijs, zijn snor is nog donker, alsof hij hem heeft geverfd, een paarse trui past bij de sfeer van rust die hij uitstraalt “He Doris! Wat leuk dat je me komt opzoeken, ik heb je al een dag niet gezien!” “Ja pa, heel leuk, luister wat ik je nu ga vertellen gaat je heel wat uurtjes werk bezorgen” “Oh, daar zit ik niet echt op te wachten” hij kijkt langs Doris heen en kijkt verrast naar Lisa. “Lisa? Ja toch? “ Lisa lacht verlegen terug “dag Cees, een beetje grijs geworden hé ?” . Hij staat op en loopt naar het drietal toe, pakt Lisa bij haar schouders “Mijn God, dat is toch meer dan 10 jaar geleden dat we elkaar gezien hebben, toen vertrokken jullie toch naar eh. . Spanje?” “Portugal “ verbetert Lisa glimlachend. “Ah juist ja Portugal, eh . . kom nu schiet me zijn naam niet te binnen. . nee niks zeggen. . Rien?. . nee eh . . Ruud?” “Rolf !” zegt op dat moment het lichaam van Robert. De prof kijkt op “Klopt. . Rolf was het en wie bent u?” Rolf kijkt Lisa meewarig aan en Lisa kijkt vervolgens net zo naar Doris. “Pa ga nou even zitten, het is een beetje ingewikkeld. Kijk er is met Rolf iets aan de hand, hij ligt in Coma. . “ Cees kijkt Lisa meelevend aan “Ach nee, wat is dat naar voor je, hoe is dat gebeurd?” Lisa neemt het over van Doris en vertelt het hele verhaal aan Cees die tijdens het gesprek, net als Doris, Robert nauwgezet observeert. Na het verhaal blijft Professor van Lente met zijn armen over elkaar zitten en draait met zijn linkerhand een krulletje in zijn snor en ze kijken hem alle drie gespannen aan. Hij kijkt Rolf aan en zegt “dus u beweert dat u zich in een ander lichaam bevindt?” Rolf knikt slechts en krijgt het gevoel dat de man achter het buro het straks op een daverend lachen gaat zetten. Maar niets is minder waar, Cees vraagt verder “heeft u volledige controle over het lichaam of voert u een constante strijd met de gastheer?” Rolf kijkt blij verrast Cees aan en vraagt: “u gelooft mij?” “Ja, waarom niet?” “Nou ja, het is natuurlijk geen alledaagse gebeurtenis, dus ik had wel wat scepsis verwacht.” Cees glimlacht en zegt: “er is veel werk aan de winkel” hij kijkt zijn dochter aan “je hebt gelijk dit gaat mij heel wat uurtjes werk kosten” Hij wenkt Rolf en loopt naar de boekenkast, daar trekt hij na enig zoeken een boek uit met de titel “Relikwieën uit ZO Azië” Hij overhandigt het boek aan Rolf en vraagt hem dit boek door te nemen, om te zien of het voorwerp wat hij in het Tibetaanse klooster in handen had hierbij staat. Na een half uur geeft Rolf het boek hoofdschuddend terug, hij krijgt meteen een nieuw boek om door te nemen, bij het 5e boek slaakt Rolf een kreet “Dit! Hier dit is het, ik weet het honderd procent zeker, dit is het kistje!” Ze komen allemaal om de afbeelding heen staan, Cees mompelt “hmmm, interessant!” op de bladzijde is een tekening van het kistje duidelijk te zien, er staat een Engelse tekst onder “The Gate of Sanssara” Hij loopt haastig naar een ander deel van de boekenkast. Na enkele minuten komt hij terug met een klein oud boekje zonder kaft, de rug van de kaft zit er nog op en is voorzien van goud kleurige tekens. Hij zwaait er mee “Hier gaan we eens in kijken” Doris vraagt ongeduldig “weet je al wat dat kistje is” “Misschien staat hier een aanwijzing” hij trekt de lamp wat meer naar beneden zodat de vage tekst in het boekje duidelijker te lezen is. Hij vertaalt langzaam sprekend de tekst “De poort van Sanssara , De poort heeft veel verschijningen, alleen hij die van licht is kan de poort openen, alleen hij die van helder licht is kan de poortwereld zien, alleen hij die van het pure heldere licht is kan de poortwereld veranderen. Zo zijn de goden, de reizigers tussen de sterren. ” Hij kijkt Rolf aan en wijst naar hem met een priemende vinger “jij bent van het pure heldere licht, maar je weet het zelf niet, die monnik van je, die vermoedt dat jij een belangrijke persoon bent, die monnik is de sleutel tot deze wonderlijke gebeurtenissen” Rolf wrijft zich over de kin “eigenlijk wil ik helemaal niet van dat pure licht zijn, ik wil ontwaken uit mijn coma, mijn nachtmerrie, ik wil gewoon leven met Lisa, ik wil met rust worden gelaten!” Lisa komt dichter bij hem staan en ze pakt zijn hand. Pieter kijkt Cees peinzend aan “kan het zijn dat als we in contact met die monnik komen, we kunnen vragen of die monnik in staat is Rolf weer te laten ontwaken? Is het een soort vloek die Rolf over zich heeft laten uitspreken, hoe zit dat?” Cees schudt zijn hoofd, nee het is geen voodoo of zoiets, het is ook onwaarschijnlijk dat die monniken er de hand in hadden dat Rolf de poort geopend heeft, het is Rolf zelf en volgens de oude overlevering van de Artaguna priesters, zal hij die de poortwereld kan veranderen, de god zijn die tussen de sterren kan reizen.” “Maar wat bedoelen ze nu met tussen de sterren reizen?” vraagt Lisa “Daar zijn een aantal theorieën over, één daarvan is dat lichaamsdood niets anders is dan een methode om van het ene lichaam naar het andere te kunnen reizen, zonder belemmering van ruimte en tijd, lang geleden waren sommige mensen daartoe in staat, om zodoende tussen de sterren te kunnen reizen, het lichaam was slechts een vorm die bij deze wereld paste, een vorm waarin hij in deze wereld kon leven. Dit is een geheim dat door de Artaguna priesters bewaakt wordt, maar door de tijd heen is de werkelijke betekenis van de poort verloren gegaan, totdat Rolf gezellig op vakantie dat klooster bezocht.” Pieter luisterde gespannen naar Cees. “is het mogelijk dat daardoor het geloof in reïncarnatie is ontstaan?” “Je slaat de spijker op de kop, maar luister goed dit is slechts één van de theorieën, de Egyptenaren balsemden hun lijken omdat ze er van overtuigd waren dat de geest weer terug zou keren na die verre reizen, ze handelden uit overlevering en wisten eigenlijk niet wat ze deden, het was verloren gegane kennis van vele duizenden jaren terug” Doris vraagt haar vader wat ze nu moeten doen, haar vader zwijgt en kijkt peinzend voor zich uit, dan zegt hij langzaam: “We gaan kijken of we gecontroleerd Rolf van het ene lichaam in het andere kunnen laten verhuizen, bijvoorbeeld in het lichaam van Doris, of van Pieter of van een andere vrijwilliger” Doris protesteert en ook Pieter wordt er wat ongemakkelijk van. Cees vervolgt “kijk we moeten zien te voorkomen dat Rolf steeds weer bij elke verhuizing ons weer moet opzoeken, we moeten met Rolf naar Tibet, dus kan hij niet steeds van het ene willekeurige lichaam in het andere verhuizen” “Naar Tibet?” echoëd Lisa. “Ja naar Tibet” knikt Cees “dat is de enige manier om er achter te komen wat hier aan de hand is” Cees richt zich tot Rolf “Rolf, je zegt dat je bij de slaap niet meer in staat bent om de verdreven geest van het geleende lichaam te weerstaan, wat gebeurt er dan, kom je terug in je eigen lichaam of heb je het idee dat je als een soort uitreding aanwezig bent? “ “Soms kom ik terug in mijn lichaam, maar meestal word ik terug geworpen in een vreemd soort leegte.” “Ben je je bewust dat je de kracht hebt om weer een ander lichaam uit te kiezen, zou je dat meteen weer kunnen denk je?” Rolf bijt op zijn onderlip “ik weet het niet, het is nog steeds ongrijpbaar” Cees knikt begrijpend “we gaan het gewoon uit proberen, lukt het niet dan zal je in een ander lichaam verschijnen, wat je dan doet is meteen hier naar toe komen, ik zal je een soort wachtwoord meegeven, hm . . eens even denken. . wat denk je van “openbaring” om het een leuk religieus tintje te geven? Met dit wachtwoord kun je ons overtuigen dat jij het werkelijk bent, intussen zullen we dit lichaam hier houden om alle misverstanden te voorkomen” “Je bedoelt dat ik hier moet overnachten?” “Ja, dat bedoel ik.” De klok tikt ritmisch de minuten voorbij, de kamer is slechts verlicht met een schemerlampje, Rolf ligt op een sofa en staart naar het plafond, hij probeert in slaap te komen, maar het lukt niet. Hij herinnert zich de dagen van weleer, toen hij nog kind was. Ook toen lag hij vroeg in bed en moest hij slapen om luilak te kunnen vieren, hij zou om 2 uur nachts opstaan en zijn vriendje ook, dan zouden ze de hele nacht opblijven en kattenkwaad uithalen. Maar nu moest hij slapen, omdat hij anders niet zo vroeg op mocht van zijn moeder, van de spanning kon hij ook toen niet in slaap komen. Slapen op commando is moeilijk. De schaduw van het schemerlampkapje op het plafond wappert heen en weer alsof er een kaars in de wind flakkert en deze bewegende schaduwen veroorzaakt. Rolf staart er naar, zijn ogen zijn branderig, de wapperende schaduw wordt een wapperende vlag. Rolf staat buiten op een terrein, het regent en rijen verkleumde jongentjes van 14,15 jaar staan in de modder naar die wapperende vlag te kijken, er wordt op een trompet geblazen en de kinderen verspreiden zich langzaam sjokkend door de modder naar de barakken die cirkelvormig om een groot grasveld staan gegroepeerd. Hij is één van die kinderen. Zijn tenen voelt hij niet meer de jongens voor hem beginnen te rennen, hij rent mee en probeert hen in te halen, het lukt hem als eerste de barak te bereiken en rukt de deur open. Het is er waterkoud en het ruikt er naar bleekwater, hij loopt langs de tafeltennistafel die in de hal staat, de rode koude plavuizen voelt hij door de dunne zolen van zijn laarzen heen. Gauw de kamer in, daar is de vloer van hout en is de verwarming aan, hij loopt naar één van de banken met de zachte kussens en trekt een pakje shag uit zijn broekzak. De anderen komen binnen en hij kijkt ze vrolijk aan. Achter de kinderen komt een dikke kalende man de kamer binnen, hij staart de kleine Rolf met een vuile blik aan. Rolf kijkt terug, hij kent die man, hij haat die man die ze de commandant noemen, hij wenst die man dood. De kalende man verbleekt en trekt met zijn gezicht, hij doet zijn mond open en schreeuwt het uit, er komt echter geen geluid uit zijn keel. Hij valt op zijn knieën zijn huid wordt grover en valt uitéén, het vlees lekt van zijn botten en uit zijn lichaam ontworstelen zich ratten en slangen die wanhopig proberen te ontkomen, ze laten een slijmspoor achter op de houten vloer en lossen op. Een onherkenbaar hoopje lichaamsresten verdampt op de vloer, de kinderen schijnen er niets van te merken en spelen vrolijk verder, zwetend maar opgelucht draait de kleine Rolf een sjaggie, de commandant kan hem nu niets meer doen, hij voelt zich sterker worden. Met een oogverblindende snelheid wordt Rolf uit het tafereel gerukt en bevindt zich opeens op een houten bankje bij een rustig stromende rivier, zijn vriend de monnik zit naast hem. Rolf huivert van de gebeurtenis, hij was in zijn verleden en hij heeft het verleden aangepast aan de wensen van toen, maar het was verschrikkelijk, die man zo dood te wensen, hij voelt zich een slecht mens, want daarnet genoot hij er van, hij was niet beter dan de commandant, nee eigenlijk was hij erger. “de haat is net als de liefde” zegt de monnik zonder op te kijken Rolf kijkt voor zich uit “is haat slecht?” De monnik glimlacht “vind jij het slecht?” Die wedervraag brengt hem van zijn stuk hij weet eigenlijk niet eens wat haat is, hoe kan je dan weten of het goed of slecht is? De monnik vraagt “wat is goed en wat is slecht?” Rolf kijkt de monnik nu aan, in zijn ogen ziet hij dit keer een oprecht afwachtende blik, een blik die niet meer het antwoord weet, maar die hoopt het antwoord te horen. Rolf doet zijn ogen dicht en er ontstaat een beeld van een moeder met kind, achter haar komt een zwarte panter aangeslopen en maait met één geweldige haal de moeder neer, het kind begint te huilen, het gehuil wordt echter gesmoord als het kind in de muil van de zwarte panter wordt vermalen, uit het lichaam van de dode moeder komt een heldere vorm, een vorm die sterke gelijkenis vertoont met het dode lichaam, ook uit de bek van de zwarte panter komt een heldere vorm van het kind, ze strekken de handen naar elkaar uit en versmelten in een bol van ongekende kleuren, de bol zweeft pulserend de oneindige leegte binnen. Weer schrikt Rolf op uit zijn zelf geschapen beelden, wat zijn dit toch voor vreselijke scheppingen van zijn geest? “Was dit slecht of was dit goed?” Rolf stelt die vraag aan zichzelf en gaat verder met het antwoord aan zichzelf: “het had beide elementen in zich, slecht en goed, wat wij slecht noemen is de kwelling van het lichaam, de pijn en de angst voor dood, het verdriet over het verlies, maar het is slechts een overgang van drie dimensionale status naar een meer dimensionale vorm, van de laagste vorm van leven, naar de eerste stap van de volgende vorm van leven, de woorden goed en slecht zijn slechts ontleend aan onze moraal en betekenen in de ruimste zin niets meer dan benoemen van een handeling, we noemen het hebben van geen respect voor het leven boosaardigheid dit is in onze wereld een eigenschap van een lagere levensvorm, dat wil echter niet zeggen dat een hogere levensvorm zoals de mens in onze drie dimensionale wereld niet boosaardig kan zijn, die levensvorm moet dan ook meerdere malen reïncarneren om zijn boosaardigheid terug te dringen, zeg maar dat reïncarneren een vorm van evolutie is” De monnik kijkt met een tevreden glimlach Rolf aan en zegt: “hoe kom je aan die wijsheid?” Rolf raakt verward, hij voelt zich een fantast, dit is geen wijsheid, dit is goedpraten van slechte gedachten, Rolf schud zijn hoofd “ik ben niet goed bij mijn hoofd, ik wil niet zo denken!” De monnik zucht staat op en knikt Rolf vriendelijk toe, hij verdwijnt als een rimpeling in het water. De rivier stroom zachtjes verder en in de schittering van het water ontwaart Rolf de droomwereld, zoals altijd bevindt hij zich op dat moment ook in die droomwereld. Hij weet weer wat hij moet doen, hij moet Robert weer opzoeken, proberen weer zijn geest te verdrijven, vlak voor dat hij wakker wordt. De confrontatie met Robert is hevig, Rolf wordt met enorme kracht de leegte in geslingerd, maar meteen is Rolf weer terug, Robert schept wanhopig enorme hoeveelheden energie en weer wordt Rolf weggeslingerd. De confrontatie met Robert is zo hevig dat Rolf besluit er mee te stoppen, dit kan niet goed zijn, hier mag hij niet mee verder gaan. Rolf zoekt met een oogverblindende snelheid een ander, hij staat nu oog in oog met een wat suffe man, er is geen weerstand te bespeuren, hij heet Bram van Zutphen. Rolf nestelt zich in zijn geest en opent de ogen van zijn nieuwe lichaam. Hij ligt op een bed met veel kussens, schuin over hem heen ligt een naakte vrouw en naast hem ook, ze slapen. Hij duwt zachtjes de vrouw van hem af, ze kreunt, draait zich om en slaapt verder. De kamer is bekleed met rood pluche en spiegels, er liggen sexy slipjes en bh’s op de grond, hij kijkt naar de twee naakte vrouwen op het bed, ze zijn allebei blond, zwaar opgemaakt en één van hen heeft haar rode pumps nog aan. Rolf krabt zich op zijn hoofd “ik zit in een hoerentent!” denkt hij hardop. Op de grond liggen wat mannenkleren, hij bukt en raapt de kleding van de grond, hij kijkt om zich heen en ziet dat op het kussen een overhemd ligt. Zachtjes sluipt hij naar het bed en bukt over één van de naakte vrouwen heen om het overhemd te pakken. Ze kreunt zachtjes, doet haar ogen open en slaat haar armen om zijn nek “Wil je nog een keertje? Brammie van me? “ ze drukt haar rode vochtige lippen in zijn nek en draait met haar tong kleine cirkeltjes. Rolf voelt een ongekende seksuele lust opkomen, maar duwt haar toch zachtjes bij hem vandaan, hij pakt zijn overhemd en zegt: “Ik moet weg, de volgende keer o.k?” Ze pruilt met haar mond “nou Brammie toch, zo ken ik je helemaal niet, problemen thuis?” “nee hoor, ik heb een dringende afspraak, ga maar weer slapen” Ze draait zich mokkend om en slaat haar arm om haar slapende collegaatje. Rolf is in tussen aangekleed en gaat de kamer uit, hij staat nu in een lange gang met aan het einde een trap. Hij loopt omzichtig de trap af en komt in een soort bar terecht, aan een tafeltje zitten twee meisjes en een man. “Ah, meneer van Zutphen, alles in orde?” “Eh . . ja hoor, prima … zo, ik ga maar weer eens.” De man aan het tafeltje staat op “Ik zal uw chauffeur even bellen, nog iets drinken?” Rolf blijft aarzelend staan schudt zijn hoofd en zegt: “Nee hoor, het is goed zo.” Één van de meisjes loopt naar hem toe ze kijkt hem met half gesloten ogen aan “De volgende keer ben ik weer jouw speeltje hé, Brammie.” Ze raakt hem even aan draait zich om en loopt naar een ander vertrek. Een man in uniform komt binnen en blijft keurig bij de deur staan “Meneer, u wilde gaan?” Rolf kijkt de chauffeur onzeker aan “Eh ja, goed. . . eh ,gewoon naar huis dan maar hé?” Ze lopen samen de seksclub uit naar buiten, het is bijna ochtend. De chauffeur opent de achterdeur van een gloednieuwe donkergroene BMW en Rolf stapt in. Hij laat zich lekker in de zachte bekleding van de achterbank zakken, de auto ruikt fris, niet naar verschraalde rook zoals dat in sommige auto’s kan zijn. Voor hem is een kleine verlichte bar, hij schenkt zich zelf een whisky in en kijkt naar buiten. Ze rijden op een landweggetje richting de snelweg, de straatverlichting is net uit gegaan en boven de mistige weilanden is het rood van de opgaande zon. Hij neemt een slokje van zijn whisky, hij beseft opeens dat hij whisky drinkt om zeven uur ‘s morgens, hij geneert zich voor de chauffeur die hem daar ongetwijfeld ziet zitten drinken. Rolf ziet een bord voorbij flitsen ‘Amsterdam 56 Km’ , de chauffeur zit zwijgend achter het stuur en Rolf kijkt eens wat nauwkeuriger om zich heen. Op de zachte camel bekleding ligt een aktetas, hij pakt hem op en opent hem, er zit een ouderwetse agenda, een laptop en een plastic map in, hij pakt de agenda en begint daarin te bladeren. Voor in de agenda staat zijn adres, hij woont aan de Amstel in Ouderkerk. De agenda is vol geschreven met afspraken, precies zoals elke agenda altijd vol staat, hij legt de agenda weer terug en trekt de plastic map eruit. Hij opent hem en op de eerste bladzijde staat boven aan ‘2e strategie overname Datacom’ Rolf leest verder en komt erachter dar Bram van Zutphen een bedrijf met de naam Stratos bezit, een firma die zich bezighoud met uitgebreide communicatie systemen. Rolf trekt zijn wenkbrauwen op en legt de map weer terug in de aktetas, nu haalt hij de laptop eruit en zet hem aan, er wordt om een password gevraagd en geërgerd klap Rolf de laptop weer dicht. Hij kijkt weer naar buiten, het mistige landschap schiet aan hem voorbij, links onder hem kijkt hij naar de dagelijkse file op de oude snelweg, deze weg voor de rijkere jongens is vrijwel leeg, dat kan ook niet anders met een prijs van 20 Euro per kilometer. Peinzend staart hij weer naar de groene weilanden “zou ik dat password niet gewoon in het brein van Bram kunnen vinden? Waarom heb ik eigenlijk zijn herinneringen niet?” Rolf concentreert zich krampachtig maar er gebeurt niets. Hij ziet een koptelefoon hangen en in zijn armleuning zit een MP3 player hij drukt op de random knop om zich te laten verrassen, in zijn oren hoort hij oude muziek uit de jaren vijftig. Na een tijd stopt de auto bij een hek dat langzaam opengaat, Rolf zit nu rechtop doet zijn koptelefoon af een tuurt door de vooruit naar het grote huis, het is een herenhuis, statig met hoge ramen, goed gemetseld, een trap die zowel link als rechts omhoog gaat en op de ingang uitkomt. De auto draait het terrein op en stopt voor de trap. Rolf stapt uit en kijkt omhoog, een dienstmeisje (althans zo ziet ze er uit) komt naar buiten gelopen: ‘wil meneer ontbijten?’ vraagt ze met een net iets te hoog stemmetje. ‘Nee, eh doe maar niet, eh zijn er nog meer mensen in huis?’ Het dienstmeisje fronst haar gezicht, ‘Nee meneer, verwacht u bezoek?’ ‘Nee, het is wel goed zo, ga maar naar huis ik redt me verder wel’ Nu wordt haar frons nog sterker, ‘Naar huis? Wat bedoelt u? Ik ben toch thuis?’ ze kijkt vragend de chauffeur aan die intussen uit de auto gestapt is, hij schudt bijna onmerkbaar zijn hoofd en knijpt zijn ogen dicht, dat stelt haar gerust, al weet ze niet waarom. Rolf wendt zich van het zwijgende tafereel af en loopt onwennig de trap op, hij beseft dat het heel lastig is om personeel te hebben, hij weet niets van de situatie ze zouden argwaan kunnen krijgen. De deur staat open en hij loopt de grote ontvangsthal binnen.
(c)opyright 2000 by Ruud Schuring